‘Hoe een opleiding zonder vakken, toetsen, cijfers, roosters en docenten toch excellent kan zijn’

Hoger onderwijsinstellingen liggen in de knel met zichzelf. Aan de ene kant willen ze flexibeler onderwijs waarbij studenten hun leerervaringen opdoen via ‘echte’ praktijkopdrachten. Aan de andere ligt veel vast in het onderwijs. De rigide structuur van het onderwijs laat zich maar moeilijk rijmen met de dynamiek en complexiteit van de (stedelijke) praktijk. Daarom zijn veel betrokkenen van de City Deal Kennis Maken op zoek naar manieren om het onderwijs opener, adaptiever en flexibeler te maken. In Eindhoven hebben ze een manier gevonden.

Open Onderwijs: het eigenaarschap ligt bij de student

“We beloven elke student zijn eigen curriculum”, vertelt Eric Slaats aan het begin van het gesprek. Slaats werkt sinds 1991 bij de Fontys Hogeschool in Eindhoven en is docent, manager en associate lector Innovation in Education & ICT. “ Voor de buitenwereld hebben we nog wel wat op papier staan, maar in werkelijkheid bouwen studenten elk hun eigen curriculum. Per student kan het totaal verschillend zijn.”

Bij de ICT-opleidingen waar Slaats inhoudelijk leiding aan geeft, wordt gewerkt volgens de principes van open onderwijs. In open onderwijs wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk wegnemen van barrières die het (formele) leren in de weg staan. Het kan dan gaan over vrij toegankelijke leermaterialen (Open Educational Resources) of het vormen van ‘distance learning’, via MOOCs en OpenCourseWare. Een van de uitgangspunten van open onderwijs is dat leerlingen zelf eigenaar willen zijn van het leerproces. Als mensen zelf bepalen wat ze leren, wanneer ze dat leren en hoe ze dat leren, zijn ze veel gemotiveerder en zijn de leeropbrengsten hoger. Een mooie illustratie van de kracht van ‘student driven education’ of ‘learner agency’ wordt gegeven door Sugta Mitra, hoogleraar onderwijstechnologie. Met zijn onderzoek heeft hij laten zien dat als kinderen toegang krijgen tot kennis, ze in staat zijn om in korte tijd, zonder begeleiding, enorm veel te leren. Slaat: “Het helpt dat denkers als Sugata Mitra hier veel onderzoek naar hebben gedaan. Zij bewijzen de kracht van dit soort onderwijs”.  

Illustratie van kernpunten van open onderwijs en flexibel leren. CC BY Gavin Blake.

Laten dat nu precies de zaken zijn die in het reguliere onderwijs nagenoeg ontbreken. “We hebben gekeken naar wat leren en vooral gemotiveerd leren in de weg staat. Dat blijkt zo’n beetje alles wat met het reguliere onderwijs te maken heeft. Dat zijn lessen, dat zijn vakken, dat zijn roosters, dat zijn kaders en cijfers en vaak ook docenten. In de loop der jaren hebben we daar zodoende zoetjes aan afscheid van genomen. Ik geef nu leiding aan de open opleiding. En de open opleiding is helemaal open. Dat betekent dat de studenten zelf bepalen wat ze doen, hoe ze dat doen, wanneer ze dat doen, en hoe ze beoordeeld worden. Totaal eigenaarschap. Alleen vier jaar studie staat vast, omdat dat een harde eis van de wetgever”.

Gemotiveerd leren: hoe je van een zeven een tien maakt

Een eerste stap om tot gemotiveerd leren te komen, is om aan mensen te vragen wat ze zelf willen leren. Dat lijkt logisch, maar is het niet. Van de basisschool tot de hogeschool ligt hetgeen de leerling moet leren nagenoeg vast. Het curriculum, het rooster en de docent bepalen. Tussen 9.00 en 10.00 moet wiskunde je interesseren, tussen 10.00 en 11.00 Frans en daarna moet aardrijkskunde je volle aandacht verdienen. “Het is te gek voor woorden dat we een uur wiskunde geven en daarna een uur Frans. Dat is toch bezopen? Het is heel duur voor je brein om telkens die switch in aandacht te maken.”

Slaats streeft ernaar het onderwijs zo in te richten dat studenten gefocust kunnen werken, zodat ze kunnen komen tot een vorm van diep leren. Een van de manieren om daartoe te komen is door studenten te laten werken aan zogenaamde ‘challenges’. Challenges zijn praktijkvraagstukken die aangeleverd zijn door bedrijven (“een dikke honderd”) of die studenten zelf formuleren. Aan het begin van een semester bedenken studenten zelf aan welke challenge ze gaan werken en welke competenties ze daarmee gaan ontwikkelen. Door studenten zelf te laten kiezen, zelf te laten nadenken over wat ze willen leren en zelf te laten werken aan het bedenken van oplossingen voor specifieke vraagstukken, vindt het leren plaats in een betekenisvolle context. Slaats stelt: “De motivatie van mensen daalt als ze dingen moeten doen waar ze de betekenis niet van zien. Dus betekenisvolheid is belangrijk. Die rijen woordjes die je op de middelbare school moet leren zijn bijvoorbeeld helemaal niet betekenisvol.”

Ook op een aantal andere manieren heeft de middelbare school volgens Slaats bij veel mensen de motivatie tot leren ontnomen. “Als je heel goed bent in een onderwerp en daar al veel weet, dan is het dodelijk saai om in een klas te zitten en te moeten wachten tot de rest het ook begrijpt. En aan de andere kant van het spectrum gebeurt hetzelfde. Als je het niet kan bijhouden, dan verlies je ook je motivatie. Dat is heel frustrerend.”

Bovendien heerst in het regulier onderwijs een aparte kijk op talentontwikkeling, die haaks staat op de visie van Slaats. “Ons model gaat ervan uit dat je heel veel talenten naast elkaar hebt. Iedereen heeft een aantal gebieden waar je heel goed in bent en een aantal waar je minder goed in bent. Dat herkent iedereen van zijn eigen opleiding en zeker van de middelbare school. Wat ons onderwijssysteem heel erg doet, is duwen op de gebieden waar je niet goed in bent. Je hebt iets niet gehaald, doe maar over. Dat gaat ten koste van de motivatie. Want je moet allemaal dingen doen die je eigenlijk helemaal niet wilt en helemaal niet leuk vindt. Het is geen wonder dat mensen gedemotiveerd raken. De focus ligt te veel op waar je niet goed in bent!”

Het veel beter om mensen aan te spreken op waar ze wel goed in zijn. Zo groeit het plezier en de wil om te leren. “Van de zeven een tien maken is veel interessanter dan van die vier een vijfenhalf maken”, meent Slaats stellig.

Leren zonder toetsen

Toen Slaats zo’n tien jaar geleden begon met het opzetten van de ICT-opleiding, was de eerste stap het afschaffen van de (eind)toetsen. Dat kwam onder andere voort uit zijn eigen ervaringen als student. “Ik ben zelf niet zo’n goede student geweest, maar ik was een hele goede tentamenmaker. Ik was professioneel tentamenmaker, maar dat is geen baan. Dus toen ik zelf les ging geven, is het eerste wat ik heb gedaan, de tentamens afschaffen. Daar werden toen zelfs kamervragen over gesteld, zo raar vond men dat. Dat werd toen niet begrepen. Mensen vroegen meteen: hoe toets je dan? Maar daar zijn allerlei methodes voor.”

Slaats benoemt drie voorname problemen van het afnemen van eindtoetsen. Ten eerste vindt hij toetsen oneerlijk. “Een docent kan immers alleen maar vragen wat hij weet. Daarmee ontneem je de student de kans om aan te tonen dat hij iets weet dat jij niet weet.” Ten tweede dragen toetsen niet bij aan leervermogen van de student. Studenten stellen dan het leren uit “totdat de toets gemaakt moet worden en dan studeren ze in een relatief korte tijd heel veel. Vervolgens zijn ze direct na de toets alles weer vergeten. Je raakt bovendien je krachtigste feedbackmoment kwijt. Want de enigen die voor feedback komen, zijn de studenten met een 5,4. En zij komen niet voor feedback, zij komen om te onderhandelen.” Ten derde ondermijnt het afnemen van eindtoetsen het leren in een veilige omgeving. “We weten dat het denkvermogen van mensen in stresssituaties heel hard en heel snel achteruit gaat. Met een eindtoets creëren we juist zo’n situatie. Toen begreep ik ook waar die tentamenstress vandaan kwam. We testen mensen in de slechtst denkbare situaties. De gemiddelde schriftelijke eindtoets heeft totaal geen betekenis. Dat is gewoon een afrekenmoment. Ik besloot toen op zoek te gaan naar een betekenisvolle manier van toetsen.”

Bij de opleiding is die betekenisvolle manier van toesten gevonden in een combinatie van continue praktijktoetsing (“the proof is in the pudding”), intensieve begeleiding en gedegen digitale monitoring van de vooruitgang (lees daarover meer in dit artikel). De toetsing vindt dus voortdurend plaats in de interactie tussen student(en), docenten en opdrachtgevers. In het begin – en ook bij nieuwe docenten – stuitte Slaats nog wel op weerstand van docenten. “Maar aan hen stel ik dan de volgende vraag: stel je werkt een half jaar lang intensief met een student samen, kan je die dan beoordelen ‘ja’ of ‘nee’? En het antwoord is dan altijd: ‘ja, want ik heb ze veel gezien’. Dan is mijn volgende vraag: waarom neem je dan nog een eindtoets af? Dus het enige wat je moet doen, is het gevoel dat je als docent hebt, op de een of andere manier objectiveren en formaliseren. Dat doen we via feedback in het digitaal portfolio.”

De docent als probleem

Bij de opleiding ICT zijn de docenten eigenlijk geen docenten. Ze functioneren meer in de rol van coach. Volgens Slaats ligt daar de grootste uitdaging. “Het beeld dat docenten van zichzelf hebben, vormt het grootste obstakel. Want de ‘docent voor de groep’ is heel lang the gate to knowledge and wisdom geweest. Dat is niet meer zo. Personal IT has arrived. Iedereen heeft een laptop, iedereen heeft een smartphone, en iedereen kan het gebruiken. De kennis ligt op straat. Denk aan Google, Wikipedia, maar ook alle MOOCs en andere manieren van online lessen volgen. Waarom zou ik een docent voor de groep zetten die het verhaal vertelt, als studenten de lesstof gewoon kunnen raadplegen in hun eigen tempo, in allerlei formaten? Dan kunnen die docenten beter wat anders doen. Zij kunnen bijvoorbeeld beter studenten die niet zo goed meekomen helpen of de hele goede studenten extra zetjes geven. Er is van alles mogelijk.”

Toch gaat het inpassen en aanpassen van de docenten in hun nieuwe rol niet zonder slag of stoot. “We groeien enorm hard en al die nieuwe docenten moeten hier ook aan wennen. Want zij hebben nog het traditionele beeld van de docent: “ik ga voor de klas staan, ik ga mensen dingen uitleggen en dan ga ik ze een schriftelijk tentamen geven.” Het beeld dat mensen uit de hoek van open onderwijs hebben, is totaal anders. Dus dat levert een ‘culture shock’ op. En iedereen is onderwijsdeskundig. We hebben immers allemaal onderwijs gehad. Dus het is even wennen.”  

Het kan wel!

Het enthousiasme van Eric Slaats werkt aanstekelijk. Wanneer hij over onderwijs spreekt, klinkt het allemaal zo logisch. Studenten leren het meest wanneer ze gemotiveerd zijn, dat doe je door ze eigenaar te maken van hun eigen onderwijs. Docenten zijn de inhoudelijk experts die hen daarin coachen en faciliteren. En alles wat demotiveert, gooi je eruit. Toch is de praktijk bij veel andere opleidingen en instellingen diametraal anders. Daar ligt vrijwel het gehele onderwijsprogramma vast, zijn de vakken verkokerd en is een hele bureaucratie rondom toetsen opgetuigd om de kwaliteit ervan te borgen. “Het huidige onderwijssysteem is aan controle ten onder aan het gaan”, concludeert Slaats. “Het wordt geregeerd door de wantrouwen en niet door de vraag: hoe ontwikkelen we mensen? Daar zou het juist over moeten gaan”.

Slaats merkt dat er steeds meer interesse ontstaat voor open onderwijs en flexibel leren. Hij moedigt iedereen aan daarin vooral te durven. “Ik merk vaak dat mensen er de geestelijke lenigheid niet voor hebben om iets af te schaffen. Dan ontstaat meteen blinde paniek: hoe dan? Dus als ik zeg ‘laten we de roosters afschaffen’, dan is de eerste vraag meteen: maar dat kan toch niet? Ja, natuurlijk kan dat wel! Geef een lokaal aan een groep studenten en zeg tegen de docenten: regel het met ze. Ga maar op bezoek daar als je vindt dat het nodig is. Dan krijg je een totaal andere dynamiek. Dus wij hebben geen roosters meer. Ook op andere vlakken komt die afdeling ‘kan niet, mag niet’ vaak langs. Dan wordt meestal met een vingertje naar de overheid gewezen. Maar niets is minder waar: er is veel meer mogelijk dan mensen denken. Dat komt doordat er een soort accreditatieangst heerst. Zeker nadat InHolland een tik op de vingers heeft gehad, wordt bijna alles vertaald naar ‘het mag niet’. Zelfs OCW zit daar een beetje mee in de maag, want die worden natuurlijk altijd als de boeman gezien. Terwijl ook zij gewoon goed onderwijs voorop stellen. Als je dan goed naar de regels kijkt, blijkt dat er eigenlijk heel veel mag en kan. Het enige punt bij instellingen is dat regels vaak worden geïnterpreteerd en gehanteerd door mensen die in de controlemodus zitten. Die zetten ze zo strak aan, dat er totaal geen bewegingsruimte meer is met risicomijdend gedrag  tot gevolg. Terwijl bijvoorbeeld ook accreditatiecommissies helemaal niet vies zijn van enig risico nemen, als jij een goed verhaal hebt over onderwijs. Daarom is mijn advies aan iedereen die wil vernieuwen, om toch nog eens heel goed naar die accreditatieregels te kijken. Want wij hebben weliswaar geen vakken meer, geen tentamens meer en geen cijfers meer, maar we hebben wel al twee keer een excellente beoordeling van de accreditatiecommissie gekregen. En dat gebeurt echt niet, als we dingen zouden doen die niet mogen”.

Laat een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Onze Partners