Dit gaat over de City Deal City Deal Kennis Maken

‘Verbinders’ in beeld nr. 1: Esther Haverkort

Esther, je bent verbonden aan de Hogeschool van Amsterdam, maar geeft ook advies aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Wat houdt jouw baan precies in?

Esther Haverkort

“Bij de HvA ben ik meer maatschappelijk ondernemend bezig: zo heb ik BOOT mede opgezet, de Buurtwinkel voor Onderwijs, Onderzoek en Talentontwikkeling, waar ca 900 studenten jaarlijks aan 2000 bewoners en 200 organisaties per jaar activiteiten aanbieden. Hiervoor heb ik met Rob Andeweg specifiek van buiten naar binnen geredeneerd: welke partners heeft de HvA? Wat doen ze? En hoe kan de kennisinstelling een bijdrage leveren aan de bestaande processen? Toen bleek dat er bij veel partners én veel ambitie was én (wijkaanpak)geld, maar toch heb je mankracht nodig om daar een programma omheen te bouwen en uit te voeren vooral. In dit programma staan de behoeften van de bewoners centraal. Ik ben constant aan het verbinden. Bij de Vrije Universiteit manage ik nu meer het interne proces rondom verbinding met de samenleving. Ik ben programmamanager maatschappelijke partners, maar voordat deze actief aan tafel zitten, moet je als kennisinstelling zelf bewust zijn van je positie en ambitie. We zitten midden in deze fase. Ik bekijk welke belemmeringen en kansen er intern liggen voordat we ons programma aan de buitenwereld presenteren. Dit keer werkt het dus meer andersom: van binnen naar buiten. Daarbij is wel de nadrukkende wens om weer samen met de maatschappelijke partners en bewoners ons programma te bouwen. Hierbij moet je de stem van de maatschappelijke betrokken studenten ook prominent meenemen.

Kun je verder ingaan op het kijken van binnen naar buiten? Wat doe je concreet?

“Ik bekijk nu eerst wat de VU al doet in haar curriculum en welke relaties er al zijn. Maar ook naar de bestuurlijke verhoudingen en de governance van de instelling. Je hebt zowel met het onderwijs, als met onderzoek te maken. Deze omslag naar intensief werken met de samenleving moet langs allerlei lagen, dus je wilt dat je daar klaar voor bent. Eigenlijk ben je dus de hele dag bezig met praten: met studenten – “Wat zouden jullie willen doen? Hoe zou jouw studie meer gaan leven door het meer ‘real-life’ in te vullen?”, met docenten – “In hoeverre ben je in de mogelijkheid om dit te doen of hier bepaalde studieonderdelen voor om te bouwen?”. Je faciliteert dit gesprek en bent tegelijkertijd bezig met verwachtingsmanagement bij alle maatschappelijke partners. Studenten verassen namelijk enorm qua inzet en zijn ontzettend goed in contact met bewoners, maar ze hebben soms moeite met onderzoeksvragen formuleren of structuurproblemen. De 0-de lijns dienstverlening verloopt ontzettend goed in Amsterdamse wijken door studenten. Belangrijk is dan om te kijken hoe je dit structureert en hoe deze zich verhoudt met het professionele en vrijwillige aanbod in de wijk, Hoe werk je samen, hoe verwijs je door, hoe zorgt je gezamenlijk voor duurzame oplossingen? We experimenteren met allerlei methoden, zoals workshops, train de trainer(vrijwilliger), of vragen in groepen behandelen, zodat bewoners elkaar kunnen helpen en in het vervolg elkaar opzoeken.

Een geweldig interessant proces binnenin een universiteit, Esther. Hoe kijk jij aan tegen jouw gedeelde functie?

“Op dit moment verdeel ik mijn taak tussen de HvA en de VU. Ik heb BOOT langzaam overgedragen aan een heel sterk team en neem nu eigenlijk zowel voor de HvA als VU een adviesfunctie in op het gebied van onderwijs in verbinding met de samenleving. Toen ik in 2008 met BOOT begon was het enorm praktisch, vooral zaken rond de bedrijfsvoering moesten worden uitgevoerd, zo heb je bijvoorbeeld een aansprakelijkheidsverzekering nodig om met kinderen te werken op een externe locatie. Nu denk ik mee op instellingsniveau: wat is jouw rol als kennisinstelling en hoe kun je daar meer beleidsmatig mee omgaan? Waar moet je rekening mee houden binnen de kennisinstelling als je dat wilt doen? Er moet ruimte worden gemaakt in curricula, docenten en onderzoekers moeten de vrijheid krijgen om ‘buiten te spelen’, om buiten de bestaande onderwijs en onderzoekskaders innovatieve methoden te ontwikkelen. Experimenteren in de stad, is het mooiste wat er is, maar het zijn kwetsbare processen en moeten met aandacht worden uitgevoerd. De wil en het enthousiasme is er vaak al binnenin de kennisinstellingen, maar bij de implementatie gaat soms mis”.

Wat zie je nu vaak fout gaan in de implementatie?

“Vaak worden samenwerkingen gestopt doordat er onvoldoende vanuit de inhoud wordt gedacht. Je moet de overtuiging hebben dat binnen jouw vakgebied er een verdieping plaatsvindt wanneer je samenwerkt met een maatschappelijke partner en andersom, anders houd je dit traject niet vol. Er wordt veel extra tijd en creativiteit van betrokkenen gevraagd, er moet een gemeenschappelijke urgentie zijn om samen te werken aan oplossingen van complexe vraagstukken. Ik zie op elke Nederlandse universiteit wel individuele initiatieven om verbindingen met de samenleving te intensiveren, maar er zijn weinig voorbeelden van een structurele implementatie van Community Service Learning (CSL) die universiteit breed is. De Universiteit van Maastricht is bijvoorbeeld erg welwillend, zij hebben ook een hele andere situatie. De studenten zijn daar meer een uitdaging voor de stad door de gescheiden werelden en grote populatie studenten. Daar kun je juist een brug tussen slaan door studenten in te zetten voor maatschappelijke vragen”.

Wat verbaast je nou het meest?

“Ik word elke dag nog wel verbaasd. Het verbaast me dat het toch nog zo vaak dezelfde dingen zijn die ingewikkeld zijn. Mensen denken in stramien: “Ik ben docent, verantwoordelijk voor dit vak, waarbij zoveel mogelijk studenten moeten slagen”; “Ik ben maatschappelijk werker, ik moet zoveel mogelijk mensen op weg helpen”. Er bestaan heel veel natuurlijke relaties tussen deze twee werelden, maar je hebt nog steeds het rooster en de hele geïnstitutionaliseerde context van je baan. Daadwerkelijk projecten samen maken met een win-win blijft voor allebei heel lastig, zeker met een hoge werkdruk”.

Waar ligt voor jou een kans voor verbetering in dit proces?

“Het proces werkt alleen als je niet zonder elkaar kunt. Als je vanuit dit idee kunt werken ontstaan de prachtprojecten. Een professional moet inzien dat het beroep uitoefenen zoals het nu gebeurt te beperkt is. Het betrekken van studenten en kennisinstellingen geeft verdieping aan een professie. Het gaat dus vooral om overtuiging en vertrouwen. Daarnaast moeten bewoners het gevoel hebben dat het project een toegevoegde waarde heeft en niet alleen gaat om data verzamelen of studenten ervaring op te laten doen. Een hogeschool verleent ook praktische diensten (juridisch advies bijvoorbeeld), dus die onzekerheid neem je makkelijker weg. Bij de VU is die uitdaging groter als universiteit, maar zij doen nu al wel heel bewust maatschappelijk verantwoord onderzoek, met veel sensitiviteit voor de onderzoeksgroepen. Daarin onderscheiden ze zich geweldig”.

Wat voor mandaat heb jij nodig voor jouw functie van verbinder en adviseur?

“Het mandaat dat ik nodig heb is vrij beperkt bij de VU; de faculteiten werken erg zelfstandig en hebben eigen beslisprocessen. Ik ben dus meer een aanjager en inspireer mensen met voorbeelden vanuit de HvA en andere universiteiten. Wat kun je allemaal doen als universiteit, welke impact kun je hebben? Het mooist is dat ik veel vrijheid krijg in deze functie. Vrijheid in hoe ik het aanpak en hoe ik mijn week indeel. Omdat ik in deze rol niet meer verantwoordelijk ben voor personeel en de bedrijfsvoering van het project, heb ik een flexibele agenda en ga ik naar de plekken toe waar mijn aanwezigheid nodig is en spreek ik met veel organisaties. De rol van externe adviseur is een hele goede rol voor dit proces. Dan kun je ook tegen een heilig huisje aantrappen zonder dat je in een ingewikkelde werkrelatie beland. Docenten willen graag en het CvB ook, ze willen graag expertise aanbieden en hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Daar tussenin gaat het vaak mis, terwijl daar eigenlijk de besluiten moeten worden genomen en de budgetten worden bepaald. Het is een cliché, maar bureaucratische processen en alle verschillende belangen die er spelen zijn de vijand. Ze halen het tempo en de energie uit de initiatieven. Je zult moeten investeren: de HvA maakt hier al 10 jaar lang een paar ton vrij voor docenten die letterlijk in de wijk studenten doceren en begeleiden in samenwerking met het werkveld. En door deze structurele aanwezigheid ook een onderdeel zijn van het sociale netwerk van de wijk. Dit is echt een keuze en dat zal de VU, op haar eigen manier ook kunnen doen”.

Wat is een stap die de VU nu al zet?

“De VU heeft het grootschalige en VU brede project A Broader Mind, waar het verder ontwikkelen van het programma van Community Service Learning ook een onderdeel van is. Onderzoek van onder andere Rene Bekkers en Marjolein Zweekhorst leidt tot meer kennis over de beste methoden en de impact voor alle partijen rond community service learning: het ontwikkelen van onderwijs en onderzoek in samenwerking met praktijkpartners, waarbinnen studenten studiepunten kunnen verdienen met een maatschappelijke impact”.

Wat zou je als tips willen meegeven aan andere steden of universiteiten die met dit proces aan de slag willen?

“De dromen zijn vaak groot. Je zult fte moeten vrijmaken en mensen die het leuk vinden om hiermee bezig te zijn in deze ondernemende positie zetten, ze moeten ook de vrijheid krijgen om daar echt iets tastbaars van te kunnen maken. De VU kwam tot de conclusie dat zij dit onvoldoende in huis hadden om intensief met deze opdracht aan de slag te gaan. Ik vind het mooi en dapper dat zij tot dit inzicht kwamen dat zij de kennis en ervaring die ik bij de HvA heb opgedaan goed konden gebruiken om met de maatschappelijke partners om de tafel te gaan zitten; ik heb de mensen van de VU weer heel hard nodig om het te implementeren. Het clubje van de “willing” moet zorgvuldig starten en als een olievlek door het instituut gaan. Wanneer dit geslaagd is, is heel verschillend. Er zijn prachtige voorbeelden van CSL, zoals van EMI met het pact op Zuid van de Hogeschool Rotterdam en HvA BOOT. Maar deze methoden zijn niet vervlochten door de hele kennisinstelling. Het gaat erom wat je ermee wilt bereiken. Werken aan een maatschappelijk netwerk helpt; zo bouw je echt een vertrouwensrelatie op. Dat hoeft niet elke kennisinstelling in een stad alleen en apart te doen. Hogescholen en universiteiten kunnen daarin juist geweldig samenwerken en een gezamenlijk programma-aanbod doen met unieke elementen die karakteristiek zijn voor die kennisinstelling. Persoonlijk vind ik dat naast je drive om iets te willen doen voor de stad, je vooral ook zo goed mogelijk onderwijs moet willen maken. Trek het binnen het curriculum, maak het ‘normaal’. Breng daarom niet alleen een groepje docenten bijeen; het gaat pas echt leven als de mensen uit het vakgebied aansluiten. Laat het leven”.

Wat zou je tot slot het City Deal Kennis Maken netwerk willen meegeven?

“Landelijk zijn de verschillen heel groot. Ondanks dat dit zo is, is het goed dat we het er met elkaar over hebben. Meer dan ooit is een discussie over de kwaliteit van onderwijs en onderzoek noodzakelijk. Gemeenten hebben een enorme inhaalslag gemaakt de afgelopen 10 jaar, waardoor ze nu veel dingen samen doen met burgers. Het onderwijs liep daar enorm in achter. Ik heb de laatste jaren veel onderzoek gezien die helemaal niet innovatief was, heel rechtlijnig, laat staan goed aansluit op de vragen van de doelroep. Langzaam zie je de opleidingen verdwijnen die niet verbinden en vernieuwen. Het bundelen van krachten en het samenvoegen van disciplines gebeurt nog te weinig. Studenten vinden het geweldig om samen te werken met studenten van andere opleidingen. De kwaliteit van een product gaat enorm omhoog als je weet voor wie je het doet. Sluit dus in het ontwikkelproces ook vooral de student niet buiten”.

Laat een reactie achter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Onze Partners