Agenda Stad verbindt de passie. ‘Dan kan je ook echt wat bereiken’

Dit gaat over de City Deal City Deal Kennis Maken

Zeven jaar geleden introduceerde het interbestuurlijke programma Agenda Stad een hele nieuwe manier van werken. Steden startten samen met bedrijfsleven, onderwijs en samenleving een samenwerking rond domeinoverstijgende vraagstukken onder de naam City Deal. Na 29 afgesloten City Deals, twaalf actieve Deals en negen in verkenning, -waaronder ook de eerste Town Deal-, is Agenda Stad actiever dan ooit, vertellen programmamanager Frank Reniers en Dealmaker Steven Kroesbergen.

De City Deal Kennis Maken is een van de langst lopende deals van het programma Agenda Stad, dat is ondergebracht bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Nog steeds staan in dit programma de City Deals centraal, waarin koplopers werken aan innovatie en doorbraken om oplossingen voor ingewikkelde opgaven te creëren.

De meest recente City Deal, genaamd Slim Maatwerk, werd op de Dag van de Stad eind oktober afgesloten. Deze City Deal experimenteert hoe mensen langer kunnen blijven thuis wonen door digitalisering en onderzoekt tegelijkertijd of personeelstekorten daardoor kunnen worden opgelost. Dat gebeurt samen met gemeenten, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor de Wmo en Jeugdzorg.

De werkwijze verspreiden

Wat is de stip aan de horizon? Waar gaat Agenda Stad nog naartoe? “Inhoudelijk hebben we natuurlijk de ambitie om zo goed mogelijk resultaten te halen uit die City Deals en acute problemen van gemeenten te helpen oplossen”, legt Reniers uit. “Minstens zo belangrijk is dat wij onze werkwijze verspreiden. De manier van werken, waarbij een opgave centraal staat en waar iedereen zich om heen verzamelt, niet alleen overheden, maar iedereen die je nodig hebt voor die opgave. Het is de systems in the room approach. Iedereen houdt een stukje van de puzzel vast, die we uiteindelijk alleen gezamenlijk kunnen leggen. De insteek van je gaat erover of niet, daar werken we heel hard aan om vanaf te komen.”

Steven Kroesbergen, Dealmaker bij Agenda Stad.

Steven Kroesbergen, Dealmaker bij Agenda Stad.

Ook in de Town Deal die nu start ligt een mooie ambitie, legt Kroesbergen uit. “Daarin willen we de collega’s van het Rijk losweken van hun beleidsafdeling om hen een paar dagen per jaar te laten meewerken in een gemeente aan lokale urgente vragen. Wat we hebben geleerd in zeven jaar City Deals is dat je pas echt wat leert als je het ervaart, als je de mensen ontmoet, en ter plekke ziet waar het om gaat. Het organiseren van die ontmoeting, dus niet alleen overheid, maar ook met hoger onderwijs of bedrijfsleven, is volgens mij ons belangrijkste doel. Het leuke van dit werk is dat we samenwerken met allemaal mensen die echt wat willen bereiken. Die passie willen we verbinden. Dan ga je ook echt wat bereiken.”

Kennispartners

En de City Deal Kennis Maken speelt daarbij een belangrijke rol, stellen ze allebei. “De hbo en universiteit zijn nu echt een kennispartner geworden van de gemeente, en dat was voor de City Deal Kennis Maken niet”, vertelt Reniers. “Dat vind ik een hele mooie ontwikkeling. Ik vind het onbegrijpelijk eigenlijk dat voor deze City Deal de besturen van gemeenten en kennisinstellingen niet met elkaar praatten over opgaven in de stad, een gemeenschappelijke agenda maken en of samenwerking daarbij mogelijk is. Dat gebeurt nu wel! Die samenwerking heeft heel veel positieve effecten, zowel voor de stad als voor de studenten zelf. Het leidt tot beter stedelijk beleid en meer betrokken studenten omdat hun opleiding direct is gekoppeld aan hun eigen leefomgeving. En dat komt nu echt tot uiting vijf jaar later. Dat is een enorme stap. Zeker met de opschaling waar we aan werken om straks elke student in zijn studietijd kennis te laten maken met opgaven uit de stad.”

Town Deals

Maar City Deals zijn vooral gericht op grotere steden. Het meest opvallende van de nieuwe koers van Agenda Stad is dan ook de komst van een nieuw instrument, de Town Deals, die gericht zijn op middelgrote en kleine gemeenten. Dit komt voort uit de ambities van het nieuwe kabinet, legt Reniers uit. “De opgaven waar Nederland voor staat zijn van enorme omvang en complexiteit. Denk aan klimaatadaptatie, energietransitie en het komen tot sterke en gezonde steden en regio’s. Dit vraagt in toenemende mate om over organisatiegrenzen heen samen te werken zoals we doen in City Deals. Dit is niet alleen van belang in steden, maar voor alle gemeenten.”

Op het VNG Congres in juni kondigde Agenda Stad dan ook de eerste Town Deal aan, dat gaat over aantrekkelijk wonen en vestigingsklimaat. “Veel kleinere gemeenten hebben te maken met vergrijzing, ontgroening en een voorzieningenniveau dat daalt”, legt Kroesbergen uit. “Met de Town Deal proberen we, net als met de City Deals tot vernieuwende aanpakken te komen. De methodiek is iets anders omdat wij daarin vanuit Agenda Stad wat meer gerichte expertise gaan organiseren richting de gemeenten.”

Ontwerpdenken

Wat is er verder nieuw aan het hernieuwde programma van Agenda Stad? “We werken nu veel meer aan ondersteuning van de City Deals”, gaat Reniers verder. “Zo hebben we inmiddels een Loket Ontwerpkracht geopend om ontwerpers te binden aan City Deals.”

Kroesbergen vult aan: “Daarmee willen we nu een volgende stap mee maken om het ontwerpdenken echt een vaste plek te geven binnen de City Deals. Er zijn heel veel verschillende manieren hoe je dit kan inzetten. Onze twee collega’s zijn daarvoor nu methoden aan het ontwikkelen.”

Ook heeft Agenda Stad een onderzoeksmakelaar ingehuurd om hogescholen en universiteiten te binden aan City Deals, gaat Reniers verder. “Ook hebben we een Subsidieradar, die gaat kijken of we meer subsidies kunnen ophalen voor City Deals. Verder wordt onze Community of Practice verder doorontwikkeld, waarin we ervaringen en kennis tussen City Deals uitwisselen. Momenteel is AEF bezig met een mid-term review onderzoek naar wat de acht City Deals van de afgelopen twee jaar hebben opgeleverd.”

Ook heeft Agenda Stad de allereerste Chief Exploration Officer, Suzanne Potjer, natuurlijk ook bekend binnen de City Deal Kennis Maken. Reniers: “Zij doet verkenning op het gebied van experimenteel bestuur, en heeft als taak om te kijken waar de innovaties zitten, zowel bij overheid als bij bedrijven, en te stimuleren dat we beter van elkaar leren. Waar kunnen we als Agenda Stad van leren? Ze heeft een vrije rol en is veel in gesprek met allerlei partijen daarover.”

Frank Reniers, programmamanager Agenda Stad.

Frank Reniers, programmamanager Agenda Stad.

Dealmakersopleiding

Daarnaast is er een duidelijke link met het hoger onderwijs in Agenda Stad, stelt Kroesbergen. “Vanuit een City Deal is het altijd goed om naar de link met kennisinstellingen te kijken. Die zijn dan ook vaak aangesloten. Met de kennismakelaar zetten we daar nu de volgende stap in. Ook zelf als innovatieprogramma proberen we ook echt het goede voorbeeld te geven. Aan de ene kant staat het kennis maken centraal in de City Deals, daarnaast ook het opleiden. We hebben altijd een rijkstrainee in ons programma, die we ondersteunen om zichzelf te ontwikkelen. Ook hebben we een mbo-stagiair in ons team kunnen opnemen. De diversiteit bij de overheid is namelijk best wel een aandachtspunt. We kijken naar onze vaardigheden wat we zelf doen en willen vanuit Rijksoverheid de brug leggen richting. Aan de ene kant moet je begrijpen wat er speelt onder de motorkap van de rijksoverheid. Aan de andere kant moet je met beide benen in die samenleving kunnen staan. Dat vraagt dus om een hele andere manier van werken.”

Daarom is Agenda Stad gestart met een eigen Dealmakersopleiding in samenwerking met de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). “Zo willen we deze manier van werken professionaliseren”, legt Kroesbergen uit. “Als ik kijk naar de rijksoverheid werken we steeds beter interdepartementaal samen. Dat zie je in allerlei verschillende programma’s die zijn opgestart. Alleen een betere samenwerking met gemeenten is de volgende stap die we als rijksoverheid kunnen maken.”

Wat voor kwaliteiten heeft een Dealmaker nodig?  Reniers: We onderscheiden drie typen ambtenaren: secretarissen, experts en makelaars. De overheid heeft de laatste jaren vooral ingezet heeft op experts, op mensen die bijvoorbeeld alles weten over bouwvergunningen of energietransitie, en op secretarissen, die zorgen dat de minister goed is geïnformeerd en dat alle stukken gereed zijn. De schakelfunctie tussen de vaklui en de secretaris, en zeker het schakelen naar buiten toe, met bedrijven, kennisinstellingen en andere overheden met de andere ministeries, is juist nu heel hard nodig, en dus in opkomst.”

“Daarom scouten we nu bij Agenda Stad op de makelaars die deze rol hebben. Of je het nu hebt over grenswerkers, Dealmakers of boundary spanners, het zijn mensen die zowel begrijpen wat er in hun eigen vakgebied speelt als zich kunnen verhouden tot medeoverheden en bedrijven en daarmee samenwerkingen kunnen smeden.”

Een van de belangrijkste vaardigheden die een Dealmaker moet hebben is kunnen kennismaken. “Daarom vind ik de naam van de City Deal Kennis Maken zo sterk”, stelt Kroesbergen. “Als Dealmaker organiseer je een ontmoeting met partijen die elkaar anders niet hadden getroffen. Vervolgens is het aan jou om die partijen uit te dagen om anders te gaan werken dan voorheen. Tegen een gemeente zeg je bijvoorbeeld dat deze goed kan samenwerken met een mbo-instelling omdat het curriculum heel goed aansluit. Bij een City Deal over cybercrime kan je heel goed studenten inzetten die met digitalisering bezig zijn. Je moet elkaar uitdagen. Wat betekent het als je meedoet voor jouw manier van werken. Hoe kunnen we het samen nóg beter doen?”

Studentambtenaren brengen frisse blik

Een nieuw concept dat steden recent omarmd hebben is de studentambtenaar, vertelt Reniers. “Dit nieuwe concept is ontwikkeld in het verlengde van de City Deal Kennis Maken. Dat zijn studenten die tegelijk ook werken als ambtenaar. Daar zijn er nu als tien actief bij verschillende steden en bij het Netwerk Kennissteden. We willen nu als Agenda Stad er ook een toevoegen aan ons team.”

Kroesbergen vult aan: “Studentambtenaren zijn erg bevlogen om de overheidswereld te laten zien wat er allemaal speelt en welke organisatiekracht er eigenlijk in de studentenpopulatie zit.”

Reniers: “Ze brengen state-of-the-art kennis uit het onderzoeksveld mee, en dat is heel belangrijk. Als je al langer bij de rijksoverheid werkt, heb je ervaring dat dingen soms gewoon niet kunnen. Het is dan ook heel fijn om gestimuleerd te worden met de komst van mensen die zeggen: maar waarom kan het dan niet? Onze manier van werken bij Agenda Stad is heel erg om de nee heen te gaan, om uiteindelijk toch tot een ja te komen. Wij kunnen het niet veroorloven om te zeggen dat we het niet kunnen of er niet over gaan. De problemen die spelen in de gemeenten vragen meer.”

‘Citizen science is meer dan een dialoog met inwoners, het is een partnerschap’

Dit gaat over de City Deal City Deal Kennis Maken

In de City Deal Kennis Maken werken studenten aan maatschappelijke vraagstukken in een rijke leeromgeving met bedrijven en andere organisaties. Maar niemand heeft meer inzicht in wat er speelt in de stad dan de inwoners. Citizen Science is dan ook niet weg te denken. In Leiden werken onderzoekers als partners samen met inwoners. En dat werkt goed, vertelt Margaret Gold, coördinator van het Citizen Science Lab van de Universiteit Leiden.

Hoe profiteren studenten in Leiden van deelname aan burgeronderzoek?

“Dat is allereerst door een stukje inbedding in het curriculum. We hebben een Honours Academy mastersprogramma gehad vorig jaar, waarin studenten van start konden gaan met citizen science als aanpak in een impact challenge. Daar deden circa veertig studenten aan mee. We blijven ermee experimenteren. Op dit moment hebben we meer aandacht voor het ondersteunen van onderzoekscollega’s met citizen science in hun onderzoekspraktijk. Naast het betrekken van inwoners kijken we ook naar andere maatschappelijke partners, zoals de gemeente Leiden en andere lokale actoren.”

En de inwoners zelf, de citizens?

“Die zijn onderdeel van het co-onderzoek. We hebben bijvoorbeeld een aantal weken geleden in het project Seeing Stars Leiden de lichten in de stad uitgezet. We hebben de inwoners uitgenodigd mee te doen met lichtvervuiling onderzoek. Die avond waren meer dan vierhonderd metingen gedaan door inwoners en bezoekers, gewoon op straat met hun smartphone. Dat is echt de kern van citizen science: om hen erbij te betrekken.”

De City Deal Kennis Maken richt zich op quadruple helix partnerships om maatschappelijke problemen op te lossen. Citizen Science lijkt perfect te passen in deze aanpak en het is dan ook niet verwonderlijk dat het Citizen Science Lab betrokken is bij ‘Leren met de stad’ in Leiden. Hoe zie je de impact van jullie betrokkenheid?

“Met de samenwerking met Leren met de Stad’ gaat het bij ons vooral om de bottom-up aanpak. Dus niet altijd beginnen met een onderzoeker, een onderzoekstraject en dan kijken hoe we mensen hierbij kunnen betrekken. Maar kijken wat er leeft in de samenleving en hoe we daar samen kunnen optrekken. De wetenschap gaat dan een partnerschap aan met die samenleving. Dat laten we graag landen in de handen van studenten die praktijkervaring aan het op doen zijn in hun vak, maar ook graag zelf een oriëntatie hebben richting samenleving, zoals in een beroepstraject.”

Margaret Gold“Op dit moment zijn we verschillende routes aan het bekijken wat Leren met de Stad al heeft bereikt in de eerste ronden om verder op te bouwen. We kijken naar de nieuwe ronde van de City Deal om het meer structuur en steun te geven.”

Wat voor routes bijvoorbeeld?

“Denk aan de landingsplekken van de verschillende curricula. Nu hebben we met de de Honours Academy een pilot gehad binnen de universiteit. Nu willen we ook kijken hoe we een landingsplek kunnen vinden in de hogeschool, gebonden aan een beroepstraject. We zijn daarover nu in gesprek. Het thema is in ieder geval studentenwelzijn. We kijken naar mentale gezondheid en veerkracht onder studenten en wat Covid allemaal heeft gedaan met die leeftijdsgroep. Wat voor extra stress heeft het met zich meegebracht.”

“Ook gaan we kijken naar niet-studenten van dezelfde leeftijd. Wat heeft het met hen gedaan? We doen dit als co-onderzoek met de mensen die het hebben meegemaakt, dus de studenten zelf. Dat begint met het co-creëren van de onderzoeksvraag. Daar over hebben we al een LUMC Master Minds Challenge gehouden met studenten van de opleiding Geneeskunde bij Universiteit Leiden. Hoe zou je dit co-onderzoek kunnen opzetten? Ze denken met twee petten: als huisarts maar ook als student. Er is interesse gekomen vanuit de studenten zelf om hieraan mee te doen dus we gaan kijken hoe we het kunnen oppakken in een project. Dat krijgt steun vanuit de universiteit, Leren met de Stad maar ook van de gemeente.”

Kun je een voorbeeld geven van een succesvol Citizen Science-project in Leiden?

“Seeing Stars Leiden was een groot succes met al die deelnames die avond. Het is nog maar het begin van een traject, dat we nu verder voortzetten, met de discussie over waar de lichtvervuiling nu precies zit in de stad. Wat kunnen we eraan doen? Er waren die avond namelijk heel veel reacties erop. Mensen willen er iets aan doen.”

“Een project waar de impact al meetbaar van is was iSpex. Dat was een project in 2014 dat door een astronoom van de Universiteit Leiden is gestart. Hij werkte mee aan de ontwikkeling van meetapparatuur in samenwerking met NASA en anderen, om fijnstof- en wolkdeeltjes in atmosferen van planeten van ons zonnestelsel te meten. Hij zag de potentie van een clip-on voor een mobiele telefoon om fijnstof in onze eigen atmosfeer te meten. In dat project ontwikkelde hij dus die clip-on met een consortia van partners. Daarna werd deze uitgebreid uitgedeeld aan mensen die wilden meedoen aan luchtkwaliteitsmetingen. Meer dan tweeduizend mensen in heel Nederland hebben over drie dagen meegedaan. Dit onderzoek heeft een rol gespeeld in de vormgeving van het beleid over fijnstof.”

Ben je tevreden over het niveau/kwaliteit van de samenwerking met burgers?

“Jazeker. Dat ligt aan de mensen die wetenschappelijke onderdeel inbrengen, het ontwerp van de taken en hoe je mensen uitnodigt mee te doen. Als je dat goed ontwerpt, krijg je ook goede data daaruit. Wat echt de kwaliteit verhoogt van het onderzoekt zijn de inzichten die mensen met zich meebrengen in de complexiteit van iets wat speelt. Zij zien de lokale contexten en voegen toe wat nog meer meespeelt. Daaruit krijg je een veel beter beeld van wat er speelt in de stad, en hoe je dat het beste kunt aanpakken.”

Kan jullie aanpak de interactie met inwoners verbeteren of intensiveren?

“Zeker. Maar ik denk dat het meer gaat om het aanbieden van een gefaciliteerd traject, waarin mensen niet alleen in gesprek met elkaar kunnen, maar dat het ook leidt naar iets. Dus niet alleen de burgerparticipatie op het eind, zoals je nu vaak ziet, waarbij je nog feedback ophaalt op het eind maar het eigenlijk te laat is om er nog iets mee te doen. Wanneer je vanaf het begin als partners optreedt. Datagedreven beleid maken, dat is een van de krachten van citizen science. De meer complexe inzichten daaromheen verbeteren die data. Dat is wat een citizen science traject kan aanbieden. Meer dan alleen dialoog maar echt een partnerschap. Je ziet dan het vertrouwen aan beide kanten versterkt.”

Hoe brengen jullie de onderzoeksresultaten weer terug naar de inwoners?

“Dat is een belangrijk aspect. Daar moet goede communicatie voor komen. Met Seeing Stars Leiden hebben we bijvoorbeeld een openbare plattegrond online gemaakt, waarop mensen de data kunnen zien. We werken nog samen met die website en app-ontwikkelaar of we de data voor en tijdens het onderzoek uit elkaar kunnen halen. Zodra ik dat heb gaan we dat communiceren naar iedereen die mee heeft gedaan, om te laten zien welk verschil we hebben gemaakt met het uitdoen van de lichten. Het zijn geen formele data, maar het geeft inzicht in de problematiek. Op basis daarvan kunnen we weer verder in gesprek met elkaar. Momenteel ben ik bezig met de ontwikkeling met de volgende stap in het traject, ook weer samen met verschillende partners in de stad. Ik vind het superbelangrijk dat de informatie twee richtingen heeft, maar ook dat het traject in beweging blijft.”

Hoe belangrijk is een multi-level, multidisciplinaire aanpak in citizen science, evenals in de City Deal?

Citizen science is bijna per definitie multi- en transdisciplinair. Ook al is de onderzoeksvraag lichtvervuiling of astronomie, het gaat ook over de impact op de samenleving, het gaat over gezondheid of veiligheid. Daar zijn allerlei andere domeinen van kennis voor nodig, die verder gaan dan meetkunde of astronomie. Citizen science als aanpak zelf gaat over samenwerking, dus daar zit ook een stukje sociale wetenschappen in.”

Werken jullie ook met studenten van hbo en mbo?

“Dat zouden we heel graag willen doen, en daarom werken we samen met Leren met de Stad. Vanuit die partnerschap hopen we ook die andere opleidingsinstituten deel te laten nemen. Zo zie je ook dat de inbreng van de talenten van de studenten anders is. De ene is academisch ingesteld, terwijl de ander juist meer praktisch is ingesteld en veel makkelijker kan samenwerken met de samenleving. Andere studenten vinden het juist fijn om de gesprekken met de samenleving te ondersteunen. Die vaardigheid hebben we ook hard nodig.”

Er zit in ieder geval veel passie in Leiden om dingen aan te pakken, concludeert Gold. “Het kan beter, groener, schoner. Dit is niet uniek voor Leiden, je ziet het overal. Dat is heel positief, met ons allen kunnen we best veel bereiken.”

Een aanzet tot het profiel van de wijkdocent

Dit gaat over de City Deal City Deal Kennis Maken

Vanuit de City Deal zijn in meerdere steden wijkdocenten aan de slag gegaan om studenten in een multi-level context te laten samenwerken aan maatschappelijke vraagstukken. De rol van de docent bleek daarbij behoorlijk complex. Daarom hebben Aimée Hoeve en Loes Vos-Strijbosch, verbonden aan het lectoraat responsief beroepsonderwijs van de HAN, de afgelopen maanden in een onderzoek een aanzet gedaan tot een competentieprofiel voor wijkdocenten in een multi-level context.

Het onderzoek van Hoeve en Vos-Strijbosch bouwt voort op een eerder onderzoek uit 2021 dat ze hebben uitgevoerd onder zogeheten ‘expert-grenswerkers’, docenten die in labs en werkplaatsen van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen (HAN) werken. Daarin kwamen ze met dertien competenties die deze docenten moeten beschikken. Onderzoeker Aimée Hoeve vertelt meer over het huidige onderzoek, dat in opdracht van de City Deal Kennis Maken is gedaan.

Wat was de aanleiding om dit onderzoek te doen?

Hoeve: “We kregen natuurlijk de vraag vanuit de City Deal omdat we eerder het onderzoek naar grenswerkers hebben gedaan. In Arnhem en Nijmegen hebben we in het kader van de City Deal de afgelopen jaren geëxperimenteerd met multi-level onderwijs, waarbij wo, hbo en mbo met elkaar samenwerken aan projecten in een omgeving, een wijk, in de regio. Al snel kwamen er geluiden dat deze manier van werken toch wel een hele andere rol vraagt van docenten.”

“Bij de HAN zijn we al sinds 2012 bezig met de ontwikkeling van labs en werkplaatsen. Het zijn plekken in de regio, in een wijk- of gezondheidscentrum, of in een zorginstelling, waar wij studenten vanuit verschillende opleidingen interprofessioneel laten werken aan vraagstukken die spelen in die context. Ook daar zijn wijkdocenten actief.”

Wat zijn grenswerkers precies?

“Binnen de HAN noemen we wijkdocenten grenswerkers omdat ze actief zijn op de grens van onderwijs en wijk, op de grens van leren en werken, en van binnen en buiten de muren van de HAN. In de labs en werkplaatsen beseften we al dat dit heel wat anders vraagt van je als docent dan gewoon onderwijs in de klas verzorgen. Daarom zijn we in 2018 al begonnen met een eerste verkenning naar de rol van deze grenswerkers? Wat vraagt het dan van docenten? Wat doen ze daar precies? We hebben een Delphi-studie gedaan om in kaart te krijgen wat de taken zijn die op je bordje komen te liggen. Onze verkenning heeft geresulteerd in een aantal basistaken voor de grenswerker.”

Hoe weet je met al die taken of je het ook goed doet?

“Die vraag kregen we ook. Kunnen we niet toe naar een soort profiel dat je ook kan inzetten om jezelf te ontwikkelen en te bekwamen in die taken? Toen zijn we eigenlijk begonnen aan een competentieprofiel voor onze grenswerkers. We hebben in 2021 acht grenswerkers binnen de HAN geïnterviewd, waarvan collega’s zeiden dat ze deze rol goed in de vingers hebben. Daar is begin dit jaar een eerste aanzet voor een competentieprofiel voor onze grenswerkers verschenen.”

“Dat kwam ter ore van Maartje Cobussen en Annemieke Peeters, de trekkers van de City Deal. Zij vroegen zich af of de geïdentificeerde competenties ook van toepassing waren op wijkdocenten in een multi-level context. Het gaat om aansluiten bij ontwikkelingen in de wijk, om het werken aan maatschappelijke vraagstukken. Het enige verschil is dat onze grenswerkers alleen met hbo-studenten werken en de wijkdocenten van de City Deal met studenten van hele verschillende onderwijsinstellingen.”

Dus toen kregen jullie vanuit de City Deal de opdracht?

“Ja. We hebben het op dezelfde manier aangepakt door interviews waarin we de wijkdocenten bevragen op hun eigen handelen vanuit een waarderende insteek. Wat maakt nou dat mensen het goed doen. en wat heb je daarvoor nodig? In tegenstelling tot de HAN-grenswerkers, die als sinds 2012 ervaring hebben opgedaan, bleek er maar een kleine groep wijkdocenten te zijn met multi-level ervaring. We hebben dus uiteindelijk maar drie interviews gedaan. Het geeft meteen aan hoe nieuw dit fenomeen is, en hoe weinig ervaring we met zijn allen nog maar hebben opgedaan. Waar HAN-grenswerkers echt verbonden zijn aan één wijk, zijn wijkdocenten in de multi-level context aan meerdere plekken verbonden en ze hadden minder tijd voor begeleiding van studenten. Dat bleek een belangrijk verschil.”

Studenten werken aan de Corona Challenge in Arnhem.

Wat zijn nog meer conclusies die jullie hebben opgedaan?

“Een van de lessen van de toekomst is dat er echt nog wat moet gebeuren aan de praktische randvoorwaarden voor de wijkdocenten. Ze waren precies vrijgemaakt om de tijd die bedacht wordt om studenten te begeleiden. Afstemming met opdrachtgevers in de wijk of met collega wijkdocenten hebben ze in de eigen tijd moeten doen. Dat houden mensen natuurlijk niet lang vol. Het zijn hele enthousiaste mensen maar als het betekent dat je voor dit kleine stukje van je baan ook nog veel extra vrije tijd moet investeren, wordt het wel zwaar. Een andere conclusie is dat je samenwerking nodig hebt. Deze rol is zo complex. Je gaat geen schaap met 13 poten vinden. Probeer daarom echt te werken in duo’s, het liefst met mensen die afkomstig zijn van de verschillende betrokken instellingen. Het is heel belangrijk dat er een mix is tussen de verschillende wijkdocenten in dezelfde wijk. De een richt zich op het netwerk, de ander op aansluiting bij de onderwijsorganisaties, een derde meer gericht op het leren van studenten of van professionals.”

Hebben jullie nog veel van de dertien competenties van grenswerkers teruggevonden bij de wijkdocenten?

“Ja. Die zagen we zeker terug bij de wijkdocenten. Vaak met een net wat ander accent. Het moeten communiceren met hele verschillende groepen stakeholders geldt bijvoorbeeld voor beide groepen. Alleen waar grenswerkers meer zitten op communicatie met partners in de wijk, richten wijkdocenten zich meer op communicatie met de verschillende groepen studenten.”

“Van de dertien zijn de eerste zes veel meer gericht op het netwerk bouwen in de wijk, strategische samenwerkingen opzoeken en aansluiten op wijkagenda’s. Daar ligt voor de HAN-grenswerker een grotere nadruk op. De wijkdocenten hadden daar geen tijd voor. Het tweede deel ligt meer op het faciliteren van leren van studenten en professionals. Voor de multi-level wijkdocenten ligt daar meer de nadruk op dan voor de grenswerkers.”

Wat is precies het belang precies van jullie onderzoek?

“De wetenschap zorgt voor vernieuwing, zeggen ze wel. Mijn ervaring is dat vernieuwing vanzelf ontstaat, zoals ook deze vormen van onderwijs spontaan ontstaan door allerlei urgenties die gevoeld worden in de wijken en binnen de opleidingen. Ons onderzoek helpt om daarbij stil te staan en te kijken waar we staan. Kunnen we met elkaar een taal te geven aan wat er allemaal gebeurt, zodat we met elkaar kunnen nadenken wat er goed of fout gaat, wat kunnen we verder ontwikkelen? Anders praat iedereen vanuit zijn eigen ervaringen en eigen woorden. Dan krijg je ook dat elkaar misverstaat. Daarom vind ik dit onderzoek belangrijk. Het is een aanzet tot een competentieprofiel. Het is een eerste stapje, het is heel beschrijvend. Wat zien we eigenlijk gebeuren als mensen in zo’n rol stappen. Waar lopen ze tegenaan? Wat vraagt het van ze?”

Kunnen andere steden hier ook lering uit trekken?

“Dat denk ik wel. Er zijn meer steden geweest die vanuit de City Deal aan de slag zijn gegaan met het multi-level onderwijs en samen leren en werken aan maatschappelijke vraagstukken. In steden waarmee hier wordt geëxperimenteerd kan het helpen om die moeilijke rol van de wijkdocent beter vast te pakken en kijken waar je staat en wat er is te ontwikkelen?”

Lees hieronder de conclusies van het onderzoek ‘Een aanzet tot een competentieprofiel voor wijkdocenten in een multi-level context’

 

 

‘Reframing zit eigenlijk in de kernopdracht van elke overheid’

Matthijs van Dijk Reframing Studio

Diverse steden en maatschappelijke organisaties kijken al naar de toekomst door middel van reframing. Ook tijdens de Dag van de Stad is het programmaonderdeel Ontwerpateliers al voor de tweede keer aan de hand van deze ontwerpmethode ingericht.  Hoogleraar en oprichter van het design- en innovatiebureau Reframing Studio Matthijs van Dijk vertelt waarom het zo belangrijk is om een voorstelling te maken van de toekomst.

Wat doe je precies met reframing?

Van Dijk: “De essentie is dat je in een toekomstige samenleving stapt. De vraag is dus niet wat je wilt met de samenleving van vandaag, maar wat je wilt met die van morgen. Denk aan een maatschappelijk vraagstuk als de energietransitie, dat kost decennia. Je wilt vermijden dat alle ideeën waarvan je nu denkt dat ze betekenisvol zijn voor de samenleving, over dertig jaar volstrekt zijn achterhaald. Hoe kunnen die ideeën in sync zijn met de tijd waarin ze zich ook manifesteren in de samenleving? Daarin zit de grote opgave. Als we dingen willen bedenken die er écht toe doen, zullen we ons dus eerst een voorstelling moeten maken van de toekomst. Pas dan kunnen we begrijpen wat relevant is op het moment dat ideeën werkelijkheid worden.”

Maar hoe kun je nu weten wat de toekomst brengt?

“Daar heb ik samen met mijn collega Paul Hekkert onderzoek naar gedaan op de TU Delft. We zeggen niet dat we weten hoe de toekomst eruitziet, maar we kunnen wel een notie krijgen van die toekomst. Bij het voorstellen van de toekomst proberen we te vermijden dat je het te veel wilt verbeelden, want dat kan juist een valkuil zijn. Hoe hoog zijn de gebouwen? Hoe ziet het verkeer eruit als we zelfrijdende auto’s hebben rijden? De essentie is eigenlijk dat je niet eerst nadenkt over wat mensen doen, maar welke condities invloed hebben op hun gedrag in die toekomst. Volgens Darwin is elk organisme in balans met zijn omgeving. Daar sluiten we bij aan. We kunnen de toekomst niet voorspellen, maar misschien wel de condities die invloed hebben op het gedrag van de samenleving. En die kunnen we best goed duiden. Als we begrijpen welke condities van invloed zijn, kunnen we gaan nadenken hoe de samenleving zich dan manifesteert. Dat is een fundamentele stap om te maken en daar hebben we met Reframing Studio allerlei tools voor ontwikkeld.”

Matthijs van Dijk Reframing Studio

Matthijs van Dijk

Wat voor condities in de toekomst kunnen we aan denken?

“Er zijn eigenlijk twee soorten condities die we meenemen: degenen die veranderen en die niet veranderen. Een voorbeeld van een veranderende conditie is hoe ons eetgedrag verandert. Steeds meer mensen worden flexitariër of veganist. Je ziet een enorme verschuiving hoe we omgaan met eten, en hoe we daarmee willen omgaan als samenleving. Deze trend kunnen we doortrekken de toekomst in. Deze kennis kun je dus gebruiken als component voor de reframing van een maatschappelijk vraagstuk als voedselverspilling of afval. Condities die niet veranderen zijn bijvoorbeeld wetmatigheden, die we met de wetenschap hebben ontdekt. Denk aan het psychologische principe van inspraak. Als je je stem kan laten horen, voel je je gezien door de ander. Dat zal in de toekomst net zo belangrijk zijn. In de wisselwerking tussen de condities zijn ook weer allerlei reacties mogelijk van burgers. Daarom is er niet een éénsoortige toekomst waarin de samenleving zich op één manier verhoudt tot een thema. Je wilt juist gaan ontrafelen. Welke opinies, welk gedrag bestaat er eigenlijk in die toekomstige samenleving? Daarin moet je ook meerdere disciplines meenemen om de complexiteit van de samenleving te ontrafelen. Daar ligt ook de opgave. Omarm de complexiteit.”

Hoe doe je dat?

“In al die condities, die omgevingsfactoren van de toekomst, proberen we patronen te ontdekken die we uiteindelijk kunnen terug brengen naar een framework. Dat framework leert ons uiteindelijk de diversiteit van gedragingen en opvattingen van mensen in de toekomst in te zien ten opzichte van een bepaald thema. We zoeken naar een maximale diversiteit, met een minimum aan complexiteit.”

Kun je een voorbeeld geven van reframing in de praktijk?

“Onze projecten beginnen vaak uit gemeenschappelijke interesse. We willen samen de blik richten op een thema waarin we allebei zijn geïnteresseerd. Daarom praten we niet over opdrachtgeverschap, maar meer over samenwerking. Momenteel werken we bijvoorbeeld aan het project Redesigning Psychiatry, dat de transitie wil aanjagen naar een netwerk voor de geestelijke gezondheidszorg. In dat project wordt ingezoomd op het handelen van mensen die een zorgvraag hebben, om vandaaruit met een eigen strategie te werken aan een beter mentaal evenwicht. Het project is een groot samenwerkingsverband met zorgprofessionals, filosofen, GGZ-instellingen, universiteiten en ervaringsdeskundigen. We kijken niet alleen hoe we een sector kunnen creëren zonder wachtlijsten, maar vooral naar de vraag wat precies psychisch welzijn is, en of we daarvan niet een nieuwe definitie nodig hebben. Misschien hebben we dan ook wel een hele andere zorgpraktijk nodig? Als je samen nadenkt over de kern der dingen ga je verder dan alleen praten over symptomen oplossen, zoals wachtlijsten. In dit project beschouwen we psychische problemen niet als individuele problemen, maar als interactie-problemen, dus in relatie met jezelf (waar de aandoening dus nog steeds een plek heeft), met anderen, je omgeving en tijd. Psychisch welzijn wordt nu heel erg gezien als het behandelen van een aandoening. Wij denken dat het juist interessant en relevant kan zijn om te kijken naar de niet-wenselijke patronen die je zelf moeilijk kunt doorbreken. Stel je hebt een psychische kwetsbaarheid en dat leidt tot een moeilijke relatie met je partner. Daardoor slaap je niet meer goed, en gaat je werk ook weer slechter. Alles is verbonden met elkaar. Hoe zitten die patronen in elkaar en wat is de sleutel om het te doorbreken. Behandeling wordt dan een heel ander ding. Misschien ligt de opgave wel niet bij jou, maar bij je partner of familie?”

Wat voor werk doen jullie met de reframing methode voor overheden?

“We hebben met allerlei gemeenten samengewerkt, waaronder Amsterdam en Rotterdam, werken voor ministeries en hebben momenteel een project lopen met de provincie Noord-Holland. Twee jaar geleden zijn we  in samenwerking met het ministerie van OCW begonnen met Future Lab. De opgave hier is om de informatiehuishouding van de toekomst in te richten. We hebben daarover een visie gemaakt. Dan gaat het om vragen als: Wat is informatie die nodig is voor de toekomstige samenleving? Hoe wil de overheid zich daartoe verhouden? En welke informatievoorziening en informatiehuishouding is dan nodig om te gaan ontwikkelen. We hebben samen met ICTU een spin-off daarvan opgezet om Young Potentials te begeleiden met het omgaan met deze visie en hoe ze die informatiehuishouding kunnen gaan vormgeven. Voor de directie Informatie en Inkoop van het ministerie van Justitie en Veiligheid kijken we hoe we ervoor kunnen zorgen dat hun ICT-systemen maatschappelijk relevant zijn. Voor het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werken we samen met Deltares aan het hoogwaterbeschermingsprogramma. Hoe verhoudt de samenleving zich in 2100 tot water en waterveiligheid? Hoe kunnen we die inzichten gebruiken om inrichting te geven aan ons landschap? Hoe biedt je burgers  handelingsmogelijkheden in zo’n opgave? Hoogheemraadschappen doen fantastisch werk, maar daar merkt de burger niet veel van. Behalve dan als de serviceverlening stopt.  Dat je een dissatisfier wordt voor burgers, wil je eigenlijk zien te vermijden. Door burgers handelingsperspectief te geven maak je zo’n thema meer embedded in de samenleving. Dan wordt het echt een thema van de maatschappij en niet een taak van een bepaalde uitvoeringsorganisatie.”

Zou je iedereen aanraden, die bezig is met maatschappelijke vraagstukken, om reframing in te zetten om een blik te werpen op de eigen toekomst?

“Als je als organisatie het langere termijnperspectief bent verloren en je bent je daarvan bewust, dan kan reframing een ongelofelijk belangrijke tool zijn. Reframing zit eigenlijk in de kernopdracht van elke overheidsorganisatie. Het gaat tenslotte over wat we met de samenleving willen en niet over de eigen reorganisatie of het eigen werken. Dit is een manier om dat weer scherp te krijgen. Ik ben momenteel veel in contact met de regeringscommissaris Informatie, over hoe we rijksoverheid en burgers als eenheid kunnen zien in plaats van ‘binnen en buiten’ of ‘wij en zij’, boven of onder. De zogeheten ‘blik naar buiten toe’, daar wil ik van af.”

Meer weten over reframing? www.reframingstudio.com.

Lees meer over Loket Ontwerpkracht.

‘Het Rijk moet wat meer tijd nemen om te luisteren naar kleinere steden’

Nederland investeerde jarenlang in de grotere steden die het toch al goed gaan. Er was minder aandacht voor de kleine en middelgrote steden. Afgelopen zomer presenteerde Agenda Stad daarom de eerste Town Deal. Naast de City Deals is dit nieuwe instrument gericht om maatschappelijke vraagstukken op te pakken in kleine en middelgrote steden in ons land. En dat is hard nodig, want er moet echt meer vertrouwen komen tussen Rijk en die steden, stelt journalist en planoloog Floor Milikowski.

Hoe kan het Rijk meer zicht krijgen op de thema’s die spelen in kleinere en middelgrote steden?

“Kleine en middelgrote steden, die geen krimp- of groei kennen, zijn niet hip. Ze vallen een beetje buiten de boot, ook al woont het grootste deel van de Nederlanders er. Toch spelen er uitdagingen. Deze gemeenten worstelen veel met de woonopgave, met het behouden van voorzieningen, werkgelegenheid en cohesie, ze kampen met leegstand en hebben vaak ook nog eens te maken met de sociaal-economische problemen die ook in grote steden spelen. Wat het Rijk te veel doet is te denken vanuit vaste aannames, en zo plannen uitrollen. Ze zou wat meer de tijd moeten nemen om te luisteren en te kijken naar wat er speelt in die kleinere gemeenten. Maar daar moet je wel mensen voor kunnen vrijmaken, om het land in te gaan. Lokaal weten bestuurders precies wat er nodig is voor hun gemeente. Wat voor woningen zijn er nodig? Wat moet er gebeuren om de leefbaarheid te vergroten? Wat is de juiste energiestrategie? Het Rijk is zo naar binnen gericht. Ga het gesprek aan. Zo schep je meer vertrouwen.”

Waarom is het belangrijk om innovatie te stimuleren in de aanpak van regionale vraagstukken?

Floor Milikowski

“Kijk bijvoorbeeld naar een gemeente als Culemborg. Die hebben concrete plannen om een bedrijventerrein om te bouwen tot woongebied. De plannen liggen er, alleen hebben ze niet de expertise in huis en de financiën. Gemeenten worstelen enorm om de basis op orde te krijgen. Het zou zo mooi zijn als gemeenten vanuit het Rijk teams kunnen inhuren om hen te helpen met dit soort projecten. Er liggen bijvoorbeeld overal bedrijventerreinen die een nieuwe bestemming kunnen krijgen. In plaats van te dure externe bureaus in te huren, zou je dan met zulke rijksteams dit kunnen aanpakken. Dat scheelt veel geld, en werkt veel sneller. Bovendien deel je ook nog eens de kennis binnen de overheden. Er is genoeg kennis aanwezig binnen de overheid. Maar hoe ga je het vormgeven? Nu zitten de externe bureaus er vaak op. Die zijn natuurlijk ontstaan bij gebrek aan rijksoverheid. Daarom is het zo belangrijk dat je ervoor zorgt dat je als Rijk de kennis gratis of voor weinig geld beschikbaar maakt op de juiste plek. Of geef de regio’s of kleine gemeenten geld om bureaus in te huren.

Als de kennis aanwezig is bij de overheid, waarom is het dan zo lastig om maatschappelijke projecten van de grond te krijgen?

“Die kennis is er, maar komt alleen vaak niet op de plek waar het nodig is. En aangezien er zoveel is gedecentraliseerd waardoor wethouders en beleidsmensen bij kleinere gemeenten zoveel op hun bordje hebben liggen, en bovendien niet beschikken over de financiën, sneuvelen veel mooie projecten. Maar het kan wel. De wil is er om innovatief samen te werken. Ook bij inwoners. Het begint bij delen van de kennis.”

Wat kan de aanpak van Agenda Stad toevoegen voor de regio ten opzichte van de al bestaande Regio Deals?

“Zowel de Regiodeals als de City Deals brengen echt wat teweeg, vind ik. Wat alleen nog beter kan is dat het vaak heel erg incidenteel is, zeker als het gaat om financiering. Dat leidt dan wel eens tot frustratie, bijvoorbeeld door de verdubbelingsregeling. Hoe meer je hebt, hoe meer financiën je krijgt. Ik merk dat dit wel eens lastig is. Ook het aantal jaren dat zo’n Deal loopt is maar beperkt. Dan blijft vaak het gevoel erna van: en nu? Daarom zou het goed zijn om met de kennis en inzichten van wat goed gaat, en beter kan, om te zetten in iets structureels. Als je weet wat de valkuilen zijn, kan je dus een volgende stap zetten.”

Wat wil je de Town Deal graag meegeven?

“Het bestaande systeem is nog niet altijd gericht op de kleine en middelgrote gemeenten. Als ze toekomstgericht willen zijn moeten ook zij beschikken over kennis en kunde. Geef hen daarom in de Town Deals vooruitzicht, een langere termijn. Wat kun je nu eigenlijk doen in drie jaar, dan heb je net iets opgetuigd? Je zou de kennis uit Regiodeals en City Deals moeten koppelen aan structurele financiële slagkracht naar waar het moet gebeuren. Het Rijk moet vertrouwen hebben dat kleine en middelgrote gemeenten het geld niet over de balk smijten. Er is nog steeds sprake van terughoudendheid omdat na de Tweede Wereldoorlog er heel veel geld naar de regio’s is gegaan, en daar niet altijd goed mee omgegaan is. Dat wantrouwen tussen Rijk en gemeenten baart me wel eens zorgen. Als je kijkt naar de stand van het land zie je dat gemeenten al blij zijn als ze woonvoorzieningen of een sportvereniging staande kunnen houden. Het is zorgwekkend dat er nu rechtszaken lopen van de VNG tegen het Rijk. Dat maakt dat je je afvraagt wat er zo mis dat dit wantrouwen zo groot is. We moeten ons realiseren dat we met zijn allen moeten werken aan gezonde vitale en eerlijke samenleving. Dat is de basis waar de overheid voor werkt.”

Meer oog voor de onzichtbare rijkdom van sociale netwerken in de stad

Floor Milikowski (Foto: Fjodor Buis)

In haar boek ‘Wij zijn de stad’ brengt Floor Milikowski de vaak onterecht onzichtbare rijkdom van de kracht van inwoners in de buitenwijken van de stad in kaart. Beleidsmakers zouden daar veel meer mee kunnen doen. Daarover gaat ze in gesprek met deelnemers van de Dag van de Stad in Tilburg. ‘Het gesprek aangaan met bewoners, het uitwisselen van kennis, is heel waardevol.’

Wat ga je precies doen op de Dag van de Stad?

“Daar ga ik in een Boekenclub gesprek aan over mijn boek ‘Wij zijn de stad’, dat gaat over gemeenschapsvorming in de stad. Dat is echt een kracht en rijkdom waar we meer gebruik van kunnen maken. Er zijn al veel bestaande netwerken, die zelf werken aan versterken van hun buurten.”

Hoe sluit dat aan bij het thema ‘De stad van iedereen’?

Cover van Wij zijn de stad

“Wat we de laatste decennia als insteek hebben gehad bij de aanpak van kwetsbare wijken is dure appartementen te plaatsen. Na de urbanisatie van de jaren ’60 en ’70 is er echt in onze steden een tendens van gentrificatie ontstaan. Steden moeten tegenwoordig internationaal concurreren, de creatieve klasse moet zich er vestigen. Dan komt het wel goed met iedereen, is daarbij de gedachte. Vanuit deze Trickle-down gedachte zouden meer ook kwetsbare bewoners daar beter van worden. Want als de inkomens in een wijk stijgen, zouden ook zij daar uiteindelijk van profiteren. Wat je ziet is dat met het aantrekken van hoger opgeleiden die meer verdienen inderdaad de cijfers van de wijken omhooggaan. Wat die cijfers echter niet laten zien is dat kwetsbare bewoners worden verdrongen uit hun wijk, dat lokale voorzieningen, zoals buurthuizen en bibliotheken, de deuren sluiten. De bestaande bewoners profiteren dus niet echt van de vernieuwing. Inmiddels weten we dat het geld dat verdiend wordt niet in de wijken blijft. Dat wordt toch weer elders uitgegeven. Hoe kun je er nu voor zorgen dat zij wel beter van worden van vernieuwing, als hun huizen moeten worden gesloopt? We moeten dus zoeken naar modellen die ten goede komen van de samenleving als geheel.”

Je noemt de gemeenschapsvorming een onterecht onzichtbare rijkdom in de buitenwijken? Waarom?

“Buurtinitiatieven worden heel vaak onderschat. We denken dan al snel dat een buurtmoestuin schattig gerommel in de marge is, maar het is veel meer dan dat. Mensen hebben sociale netwerken en buren nodig. Denk aan informele netwerken, maar ook aan buurthuizen. De cohesie is dan ook van oudsher sterker in kwetsbare wijken. De actieradius van lagere economische groepen is niet zo groot. Ze stappen niet op hun Van Moof om aan de andere kant van de stad koffie voor vier euro te drinken. In die wijken ben je veel meer afhankelijk van je buren: om op elkaars kind te passen, om boodschappen te doen voor de oudere buurman. Ook in slechte wijken vind je vaak een rijkdom aan menselijke verbanden, die je niet altijd ziet. De sloop van woningen breekt vaak die sociale netwerken op. Dat komt bij de meer kwetsbare groepen veel harder aan. Ze hebben niet altijd het vermogen iets nieuws op te bouwen. “

Maar zie je niet juist vaak weinig sociale cohesie in achterstandswijken?

“Dat komt omdat sociale huur vooral toegankelijk is geworden voor mensen met meervoudige problemen. Het zijn de echt kwetsbare mensen die zo bij elkaar komen te wonen, en zo krijg je kwetsbare wijken. Als je veel van zulke mensen bij elkaar hebt wonen, ontstaat er ook geen kracht. We kunnen ons afvragen of de ontwikkeling wel goed is dat sociale huur alleen toegankelijk is voor kwetsbare mensen. In welke wijken komen mensen tot bloei? Het mengen van buurten kan goed zijn. Als het maar niet ten koste gaat van bestaande bewoners en als waardevolle bestaande voorzieningen en netwerken behouden blijven.  Neem de bewoners en leefbaarheid als uitgangspunt bij het verdichten van stadswijken, in plaats van dure appartementen te bouwen. We zien het hele opbouwwerk langzaam terugkomen.”

Welke wijken komen in je boek terug?

“In mijn boek kijk ik onder meer naar de wijk Venserpolder in Amsterdam Zuidoost. Het is een arme wijk met veel werkloosheid, armoede en kleine criminaliteit. In een van de flatblokken hebben vrouwen uit de buurt in een binnentuin een moestuin geopend. Daar zijn tientallen vrouwen bij betrokken geraakt. Ze organiseren cursussen, leren tuinieren en leren elkaar meer over gezond eten. Je kan denken hoe knullig of schattig is dit, maar het brengt heel wat teweeg. De vrouwen worstelen elke dag met zorgtaken. Er is eenzaamheid, en de omgeving is ook niet makkelijk. In de moestuin zorgen ze voor elkaar, delen ze hun kracht en kunnen ze zelf ook weer wat toevoegen aan het initiatief. Dan zie je tegelijk hoe zo’n mooi initiatief zoveel moeite heeft moeten doen om deze plek te krijgen en behouden van de gemeente. Nog steeds is het een constante strijd om het te behouden, want de gemeente kan er ook andere dingen mee doen. Dan denk ik: gemeente omarm dit nou. Een andere wijk waar ik naar kijk in mijn boek is de Jacob Geelbuurt in Nieuw-West. Hier zijn een groot aantal flats gesloopt, en is vanuit de wijk een sociaal cultureel project ontstaan, met een podcastreeks en een museum om de bewonersverbanden, het sociale netwerk, in kaart te brengen. Het laat zien wat het met mensen doet als je huis wordt gesloopt. Voor sommige bewoners was het echt hartverscheurend. Ze woonden bijna hun hele leven in de wijk, hun kinderen zijn groot geworden in het huis. We staan te weinig bij stil bij de pijn en schade die het voor mensen kan opleveren.”

In je boek gaat het over Amsterdam, maar in hoeverre geldt het ook voor andere steden?

“De kracht die ik beschrijf in de wijken in Amsterdam is ook universeel. Die is heel identiek in andere steden en dorpen te vinden. Het is in elke wijk, dorp of stad in Nederland toepasbaar. Overal worden kwetsbare bewoners niet erkend.”

Wat wil je de bezoekers op de Dag van de Stad meegeven?

“Ik wil het gesprek aangaan omdat er ook heel veel goede wil bestaat. Er is veel behoefte om het anders te doen, ook al zijn er weinig kant en klare voorbeelden om uit te werken. We doen het nu ruim dertig jaar op een bepaalde manier, nu moeten we meer de maatschappelijke waarde centraal stellen. Het gesprek aangaan met bewoners, het uitwisselen van kennis, is daarbij heel waardevol.”

Wil je de bespreking door Floor Milikowski op de Dag van de Stad graag bijwonen? En leren van andere experts en mede-stadmakers? Meld je dan nog snel aan voor de Dag van de Stad op 29 september.

Elektrische deelauto staat op de kaart bij nieuwbouwprojecten

Deelauto bij oplaadpunt
Deelauto bij oplaadpunt

Eind 2021 kwam na drie jaar de City Deal Elektrische Deelmobiliteit in Stedelijke Gebiedsontwikkeling ten einde. Uit de evaluatie werd nog maar eens duidelijk dat deelmobiliteit al lang geen toekomstmuziek meer is, en zeker niet uitsluitend een Randstedelijk fenomeen is. In heel het land maken gemeenten en projectontwikkelaars steeds vaker afspraken in nieuwbouwprojecten over lagere parkeernormen en vormen van deelmobiliteit. We kijken terug met twee initiatiefnemers van het eerste uur Robin Berg van We Drive Solar en Barend Jansen van de Provincie Zuid-Holland.

Zo herzag de Gemeente Amstelveen haar parkeernota. Deelmobiliteit wordt nu meer meegenomen in de planontwikkeling, een parkeerplaats voor een deelauto vervangt vier reguliere autoparkeerplaatsen. Ook de gemeente Den Haag heeft een geactualiseerde Nota Parkeernormen, waarin ontwikkelaars de autoparkeereis met 50 tot 75 procent kunnen verlagen door onder andere het inzetten van deelmobiliteit. Verder hebben Rotterdam, Amsterdam en Utrecht hun parkeernormen aangepast, terwijl Gouda in 2040 de binnenstad autoluwer wil maken, onder meer door de parkeernorm te verlagen. Apeldoorn wil de binnenstad ontwikkelen tot stadspark, en stimuleert daarbij deelmobiliteit.

Ook de inwoners lijken vooral positief te zijn over elektrische deelmobiliteit, zo blijkt uit de evaluatie van de City Deal.

Versnelling in middelgrote steden

Barend Jansen

Barend Jansen, beleidsmedewerker ruimte bij de Provincie Zuid-Holland is dan ook tevreden over de resultaten. Hij is degene die de City Deal haar focus liet leggen op nieuwbouw in plaats van op bestaande wijken. “Veel gemeenten die mee hebben gedaan hebben het concept van deelauto’s in combinatie met nieuwbouw omarmd en leren kennen. Ik vind het vooral leuk dat kleinere en middelgrote gemeenten hun beleid daarop hebben aangepast. Vooral daar is het dankzij de City Deal sneller ontwikkeld dan dit normaal zou zijn gebeurd.”

Door deelauto’s als alternatief neer te zetten voor de eigen auto kun je veel meer woningen bouwen en leukere wijken maken, stelt hij. “Heel veel wat we willen wordt dan mogelijk. Twee kanten profiteren ervan. Je creëert een deelmobiliteitsmarkt en je creëert aantrekkelijke en betaalbaardere woningen. Dan krijg je een veel integraler verhaal.”

Bi-directioneel laden

We Drive Solar startte al ver voor de City Deal in de Utrechtse wijk Lombok met het plaatsen van elektrische deelauto’s, die rijden op lokaal opgewekte zonnestroom. Inmiddels heeft het bedrijf meer dan 200 auto’s verspreid over heel Utrecht staan, en is daarnaast uitgebreid naar Den Haag, Arnhem, Amsterdam en Rotterdam. Wat We Drive Solar inbracht in de City Deal was dat de deelauto’s ook nog eens energie aan het woningbouwprogramma leveren, dankzij het bi-directioneel laden. De batterijen van de elektrische deelauto’s kunnen worden ingezet als opslag van duurzame energie, die weer kan worden teruggegeven aan het netwerk van een woning of gebouw.

“Zo kan je met je auto bijdragen aan een slimmer energiesysteem”, vertelt directeur Robin Berg van We Drive Solar. “We hebben echt flink aantal stappen gezet om samen te werken aan de technologie en om het verder opschaalbaar te maken. Samen met e-Laad hebben we bijvoorbeeld de standaarden voor het ontladen geborgd.”

Vanuit de City Deal werd het bi-directionele succes in Utrecht zelfs wereldnieuws, toen het Koreaanse autobedrijf Hyundai aanhaakte. “We hebben het NOS Journaal gehaald met de primeur in Utrecht in de wijk Cartesius, waar we de eerste bi-directionele productieauto van Hyundai in gebruik namen, de IONIQ 5. Dit jaar krijgen we nog eens 150 auto’s, zodat Cartesius de eerste woonwijk ter wereld wordt met een systeem met autobatterijen. Deze wijk is een van de grootste projecten van de City Deal. Hier worden drieduizend woningen gebouwd. We beginnen met zestig deelauto’s voor de eerste duizend woningen.”

Bewustwording

Robin Berg

Ondanks de mooie cijfers is het belangrijkste resultaat van de City Deal dat er bewustwording is ontstaan bij de gemeenten en projectontwikkelaars, vindt Berg, , ook vanaf het begin betrokken bij de City Deal. “Voor de meeste gemeenten is dit concept echt nieuw. Dankzij de City Deal is een aantal concrete projecten uitgekomen en versneld. Ze zien nu in dat dit een goed alternatief is voor hoge parkeernormen en (tweede) autobezit. Het hele concept is gaan vliegen.”

Dat is onder meer te danken aan de goede samenwerking van de partners die ontstond in de City Deal, vinden zowel Berg als Jansen. “Het was erg geslaagd dat we met ontwikkelaars en ambtenaren samen aan tafel zaten”, licht Jansen toe. “Er ontstond goede interactie tussen de projecten. Door de samenwerking zie je de verschillende belangen die naast elkaar staan. Dat vind ik ook een mooi resultaat. Je praat veel opener met elkaar en leert elkaars belangen kennen. Als ontwikkelaar leer je kennen bijvoorbeeld waar een wethouder mee worstelt.”

Corona maakte de intervisie wel wat lastiger. “We hadden minder bijeenkomsten dan gepland”, gaat Jansen verder. “Ik had veel meer ervaringen willen uitwisselen. Hoe communiceer je bijvoorbeeld met bewoners, dat ze minder kunnen parkeren of geen parkeervergunningen meer krijgen. Hoe pas je je parkeernormen aan? Hoe benader je je wethouders en gemeenteraad daarvoor? Dit soort waardevolle uitwisselingen heeft te weinig plaatsgevonden. Die had je meer samen willen ontwikkelen en meer van elkaar willen  leren.  Naast corona kwam de nadruk in de City Deal verder ook te veel op het autodelen te liggen, omdat we als organisatie samengingen met de Green Deal Autodelen.”

Lessons learned

Want dat is een van de dingen die niet zo lekker liep, vindt ook Berg. “Daarom was binnen de City Deal het verband af en toe niet duidelijk. Beleidsmatig ging het vooral over de vraag of dit nu concurrentie is van de Green Deal Autodelen of dat het moeten worden geïntegreerd? Het ging soms niet meer om hoe we de City Deal naar het volgende niveau konden brengen. Dat was jammer. Voor ontwikkelaars was de meerwaarde van de City Deal voor de marktpartijen daardoor niet altijd duidelijk.”

Een belangrijke geleerde les vindt Berg dat je bij een City Deal de top van het ministerie aangehaakt moet houden. “Bij de bespreking van de City Deal was de DG bijvoorbeeld betrokken. Die kreeg later een andere functie, waardoor er meer mensen op ambtelijk niveau van het ministerie er bij betrokken raakten. Terwijl vanuit de marktpartijen wel de directie van Neprom en andere directeuren om tafel zaten. Er liggen een hoop kansen, maar dan moet je wel op hetzelfde niveau betrokken zijn.”

Ook had We Drive Solar last van de vele wisselingen in het projectmanagement, gaat Berg verder. “Daardoor zijn bepaalde projecten waarmee we startten een beetje uit beeld geraakt. Het zorgde ervoor dat het ‘wij-samen’ gevoel ontbrak. Ik had niet meer het idee dat we samen iets aan het bouwen waren. We hadden bijvoorbeeld bij de opening van de City Deal een project lopen met Heijmans. Ik had verwacht dat we halverwege de City Deal daar nog eens naar zouden kijken hoe het loopt en wat nodig is. Daarnaast hebben we heel erg het gevoel dat het ministerie een rapport liet schrijven door adviseurs. We hebben vijftien projecten lopen met onder andere Heijmans,  maar zowel zij als wij zijn niet gebeld voor de evaluatie. Terwijl het in het project uiteindelijk gaat het om de praktijk, daar doe je het voor.”

Wat betreft Jansen had de communicatie over de successen beter gekund. “We hadden meer kunnen laten zien wat we hebben bereikt. Hoeveel extra woningen hebben we dankzij de lage parkeernorm gebouwd? Hoeveel minder parkeerplaatsen? Hoeveel geld heeft dat gescheeld? Hoeveel minder autoverkeer? Hoeveel meer groene ruimte hebben deelauto’s in de nieuwbouwprojecten mogelijk gemaakt? Dat moeten we allemaal nog in kaart brengen. Dan pas heb je echt een sterk verhaal, het onderbouwt waarom we moeten bouwen met deelauto’s.”

Dat de resultaten nog niet in kaart zijn gebracht heeft ook te maken met de korte duur van een City Deal, stelt Jansen. “Drie jaar is te kort voor een ruimtelijk programma. Met een wijk aanleggen ben je zo tien jaar bezig. Daarom kunnen we de City Deal nog niet goed evalueren en afsluiten. We willen nog doorgaan om echt goed te monitoren om te zien hoe het gebruik is en wat het ruimtelijk heeft opgeleverd. Wat is het verschil geweest? Daar hebben we zeker nog twee jaar voor nodig.”

Samenwerkingsprogramma deelmobiliteit
Staatssecretaris Vivianne Heijnen kondigde eind juni in een brief aan de Tweede Kamer in ieder geval aan ook te willen doorgaan met de City Deal en de Green Deal in de vorm van een samenwerkingsprogramma deelmobiliteit. Daarin worden aspecten meegenomen zoals ontwikkeling van standaarden, uniformering, monitoring, toolkits voor gemeenten, kennisuitwisseling en de samenhang met de woningbouwopgave. In het najaar maakt ze daarover meer bekend. Om de bekendheid van autodelen te vergroten, zal ze in ieder geval een informatiecampagne starten.

Opleiding NSOB voor Dealmakers krijgt in september vervolg met tweede tranche

Op 16 juni werd de eerste tranche van de Dealmakersopleiding die de NSOB samen met de ministeries van LNV en BZK ontwikkelde, afgesloten met een ‘sterrencast’ aan sprekers. Oud-Kamerleden Mei-li Vos en Klaas Dijkhoff deelden hun ervaring met de 16 deelnemers en ook topbestuurders Johan Osinga (DG LNV) en Mark Frequin (ABD), grondlegger van Agenda Stad, maakten hun opwachting.

Nadat het glas werd geheven op het voltooien van de opleiding, keerden de deelnemers met bloemen én certificaat huiswaarts. Maar het werd een ‘tot ziens’ en geen vaarwel, want de deelnemers spraken de nadrukkelijke wens uit om een alumninetwerk op te zetten en een terugkomdag te organiseren, om blijvend van elkaar te kunnen leren.

De deelnemers luisteren naar de ervaringen van Mei-Li Vos en Klaas Dijkhoff. Foto: Jeronimus van Pelt.

Het tekent het succes van de opleiding. Immers, vertelt Martin Schulz, als co-decaan van de NSOB betrokken bij de opleiding: “In het rapport Leren Institutionaliseren, dat we samen met het PBL schreven, constateerden we dat deals een belangrijk nieuw beleidsinstrument zijn. En dat er verschillende soorten deals bestaan, bij verschillende ministeries: City Deals, Regio Deals, Woondeals. Binnen die deals zagen we dat partijen veel van elkaar leerden. Maar tússen deals en tússen verantwoordelijke ministeries, was het leren nog beperkt.”

Leren institutionaliseren

“En dat triggerde ons toen we dat lazen”, vertellen Frank Reniers, programmamanager Agenda Stad bij BZK en Marc Hameleers, programmadirecteur Regio Portefeuille bij LNV. “Daarom vroegen we tijdens een seminar met de NSOB en het PBL in januari 2021 of de NSOB een opleiding voor dealmakers voor ons wilde ontwikkelen.” En dat liet Schulz zich geen twee keer zeggen: “De titel van ons rapport was Leren Institutionaliseren, omdat we constateerden dat verantwoorden binnen het Rijk een institutie is – iedereen weet hoe en wanneer je dat moet doen. Maar dat geldt nog niet voor leren. Een nieuwe opleiding voor rijksambtenaren die in de praktijk al met innovaties als dealmaken bezig zijn, is een goede eerste stap naar die institutionalisering.”

Het werd de start van een interessante ontdekkingsreis. “Een van de beelden was: als je nou nog een glazen potje met dealmakers aan zou tikken, wat zou je daar dan in ontwaren?”, schetst Hameleers. “Binnen de rijksoverheid is dat geen bestaande functie-aanduiding, en de “dealmakers” hebben hun werk zelf vormgegeven, vanuit hun ervaring, competenties en ambitie. De bekende ‘Pipi Langkous Methode: ik heb het niet eerder gedaan, dus ik denk dat ik het kan’.”

Marc Hameleers (links, met Olga van Kalles (IBP Vitaal Platteland) en Frank Reniers tijdens het seminar Leren samenwerken aan leefomgevingsopgaven op 15 januari 2021

 

 

 

 

 

 

De doelgroep van de eerste tranche van de opleiding zou dus bestaan uit rijksambtenaren die al ervaring hadden opgedaan met ‘dealmaken’. Als dealmaker van een Regio Deal of City Deal, of vanuit andere sterk interbestuurlijke programma’s als de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor deze eerste lichting werd een inhoudelijk programma met gastdocenten en mensen uit de praktijk opgesteld. Het programma van 12 dagdelen omvatte thema’s als netwerken, taal en framing en politiek-bestuurlijke sensitiviteit.

Buitenwereld verbinden met binnenwereld

“Het voelde als een groep pioniers die samen de toekomst verkent”, zegt Reniers, die niet alleen één van de initiatiefnemers was maar ook zelf deelnam. “Alsof we geschiedenis aan het schrijven zijn. We zijn een ander type ambtenaren en we vragen om een andere aanpak die past bij deze tijd. Dealmaken betekent toch je goed verhouden tot de buitenwereld en die verbinden met de binnenwereld.” Hameleers: “Deze manier van werken wordt steeds belangrijker binnen de overheid, maar niet per se dominant. Maar bij de grote transities, zoals die van het landelijk gebied, zullen we mensen nodig hebben die deze manier van samen-werken soepel beheersen.” Niet alleen Reniers en Hameleers zijn enthousiast. Schulz: “Wat opviel is dat ook een groot deel van het docentenkorps teruggaf net zo geïnspireerd te zijn door de deelnemers als andersom!”

DG Johan Osinga (LNV, links) en ABD Topconsultant en geestelijk vader van Agenda Stad Mark Frequin delen hun inzichten tijdens de Slotbijeenkomst van de Dealmakersopleiding. Foto’s: Jeronimus van Pelt

 

 

 

 

 

 

 

De opleiding ging in december 2021 van start. Gelukkig was het zwaartepunt van de corona-crisis toen al voorbij. Slechts één sessie moest digitaal plaatsvinden. De opleiding bestond uit theorie – verzorgd door hoogleraren die hun kennis over openbaar bestuur deelden – en inspirerende praktijksessies met bekende gastdocenten uit het veld. Onder andere met onderzoeker Esther van der Voort die de deelnemers leerde hun propositie zo pakkend mogelijk over te brengen. En er werd een dag besteed aan experimenteren en opschalen. Kers op de taart was een afsluitende excursie naar de Regio Deal Food Valley en de City Deal Gezonde en Duurzame Voedselomgeving in Ede.

Iets magisch

De initiatiefnemers zijn zelf nog een beetje beduusd van het succes en de positieve feedback van de deelnemers. Uiteraard gaat de opleiding door. Sterker nog: de tweede tranche is ook al weer volgeboekt! Met opnieuw dealmakers en medewerkers van interbestuurlijke programma’s van de ministeries van LNV en BZK. De opleiding zal op accenten verschillen van de eerste lichting. “Op basis van tussentijdse evaluaties hebben we al aanpassingen gedaan om nog beter aan te sluiten bij de ervaringen en het werkveld van de deelnemers”, licht Schulz toe. Maar een opleiding als deze is nooit ‘af’. Schulz: “In de dealaanpak zit iets magisch waardoor het werkt. We zijn met elkaar nog steeds op zoek wat dat is.”

Aan ambitie ontbreekt het in ieder geval niet. Reniers: “We kunnen beslist nog een aantal tranches vullen met rijksambtenaren. Uiteindelijk willen we de opleiding ook graag aanbieden aan ambtenaren van medeoverheden.” En, zegt Schulz: “De opleiding richt zich nu op ambtenaren die al dealmaker zijn – op hun dagelijkse praktijk. Dealmaken heeft toekomst, als werkwijze, dus het zou ook interessant zijn om een opleiding te ontwikkelen voor ambtenaren die nog niet op deze manier werken maar er wel nieuwsgierig naar zijn.”

 

Groepsfoto van de eerste tranche Dealmakers na voltooiing van de opleiding, voor de ingang van de NSOB aan het Lange Voorhout.

Bestuurlijke weerbaarheid begint met goede informatie

De data-analyses, die in de City Deal Zicht op Ondermijning zijn ontwikkeld, geven gemeenten beter zicht op voedingsbodems van ondermijnende criminaliteit in hun wijken en buurten. Nu gaat deze samenwerking van veertien gemeenten, drie ministeries, Belastingdienst, CBS, ICTU, Openbaar Ministerie en Politie structureel verder.

Het meest zichtbaar en tastbare resultaat wat vier jaar City Deal heeft opgeleverd is natuurlijk het Dashboard Zicht op Ondermijning, vertelt gedelegeerd opdrachtgever Marc Noordhoek van het ministerie van BZK. “Die komt voort uit de vraag die aan het begin van de City Deal lag, namelijk of je data-analyse kunt gebruiken om patronen op ondermijning en criminaliteit te identificeren. Wat nou als je daarvoor de data van de Nederlandse overheden en uitvoeringsorganisaties bij elkaar zou kunnen brengen? Dat hebben we gedaan in een beveiligde omgeving van en samen met het CBS.”

Een pool van data scientists

Het dashboard Zicht op Ondermijn haalde onlangs het RTL Nieuws. Elke gemeente in Nederland kan uit het dashboard extra inzichten opdoen over risico’s op ondermijnende criminaliteit, en samen met andere partijen de preventieve bestrijding ervan versterken. “Een ander resultaat is de samenwerking zoals we die hebben vormgegeven in de City Deal”, gaat Noordhoek verder. “We hebben echt een samenwerkingsverband gerealiseerd, compleet met een kernteam van data scientists, die niet voor één partij werken, maar in dienst staan van de samenwerkende partijen. Deze groep mensen, ongeveer twaalf fte, was in staat om de verschillende hypothesen en vraagstellingen te vertalen naar analyses en concrete resultaten. Door de krachten te bundelen zijn we in staat geweest om eigenlijk veel meer te doen dan dat elk van de afzonderlijke partijen apart had kunnen doen. Dat heeft geleid tot een zorgvuldige en goed doordachte werkwijze, de Zicht op methode.”

Waterbed-effect

In deze methode kwamen de partners steeds bij elkaar. Een van hen bracht dan een onderzoeksvraag in. Zo zag de gemeente Maastricht bijvoorbeeld dat er veel drugscriminaliteit in de stad gepleegd werd door drugsverdachten uit andere gemeenten. Welke preventieve maatregelen kan je dan als gemeente ondernemen en voorkomen dat die drugsverdachten uit andere gemeenten criminaliteit veroorzaken in Maastricht? Je moet dus wel samenwerken met omliggende gemeenten. “Toen hebben we op basis van politiedata onderzocht welke delicten waar gepleegd worden, en door wie en waar ze dan vandaan komen”, vertelt Noordhoek. “In hoeverre vertonen criminelen in hun eigen gemeente crimineel gedrag en hoeverre doen ze dat in andere gemeenten. Uiteindelijk hebben we dat voor alle gemeenten in kaart gebracht. En dan blijkt er inderdaad vaak echt een soort waterbed effect te zijn, waarbij criminelen in de ene gemeente wonen, maar hun misdaad vooral uitvoeren in een andere gemeente. De data die wij gebruiken geven gemeenten handvatten om daar preventieve maatregelen op te nemen.”

Een ander vraagstuk uit een van de steden was hoe je de jonge aanwas in criminaliteit kunt aanpakken. Noordhoek: “We hebben bepaalde kenmerken van jongeren van 13 tot 18 jaar geïdentificeerd en met elkaar in verband gebracht, zodat ze voorspellende waarde hebben voor het risico op het gaan plegen van drugsdelicten. Denk aan kenmerken als voortijdig schoolverlaten, haltregistraties en schulden bij de ouder(s). Ook laten de data zien in welke wijken jeugd meer risico’s loopt betrokken te raken in de criminaliteit. Dat helpt gemeenten weer.”

Zo is de gemeente Den Haag gestart met een aanvraag voor het programma ‘Preventie met gezag’. Daarbij gebruikt de gemeente inzichten en data uit het dashboard om wijken aan te duiden waar jeugd potentieel gevaar loopt om over vier of vijf jaar de criminaliteit te rollen. Den Haag zet daarop in met meer jeugdwerk en meer sport aan te bieden.

Geen Big Brother

Overigens zijn de data nooit op individueel niveau te herleiden, benadrukt Noordhoek. “Dat willen we niet, dat mag ook niet. We werken immers binnen de kaders van de CBS-wet. Anders zouden we in een Big Brother- achtig samenleving komen. We willen wel weten aan welke knoppen we kunnen draaien om te voorkomen dat kinderen het foute pad op gaan.”

De jonge aanwas analyse wil het samenwerkingsverband nu verder nu stabiliseren om het verder te ontwikkelen tot echt een monitor, die trends weergeeft over jaren, en laat zien wat het effect is van interventies. Aan zo’n monitorfunctie is grote behoefte, stelt Noordhoek. “Veel gemeenten kunnen geen dure onderzoeksbureaus inhuren. Nu kunnen we zelf als overheid dit onderzoek doen. We kunnen bijna continu monitoren omdat we elke drie maanden de data bij het CBS verversen.”

Marc Noordhoek. Foto: Studio Oostrum

Structureel verder

Noordhoek is erg blij hoe het proces is gegaan in de City Deal. “Als je start met een innovatief idee is een City Deal een fantastisch mechanisme om op relatief korte termijn iets in gang te zetten. Je creëert een groep mensen, vol enthousiasme. Als je het doel hebt bereikt, stop je. Of, wanneer je iets hebt ontwikkeld, ga je verder, net als wij. In de brief naar de Tweede Kamer eerder dit jaar is geconcludeerd dat deze City Deal echt toegevoegde waarde heeft. Daarom gaan we er structureel mee door en zo is er een nieuwe fase ontstaan die weer zijn eigen problematiek met zich meebracht. Iets wat uit innovatie is ontstaan onderbrengen in een bestaande ambtelijke structuur met een ministerie, directies, een DG, afdelingen en teams is niet eenvoudig gebleken. Er bestaat geen recept of handleiding voor.”

Noordhoek gaat verder. “Hoe gaan we nu zorgen dat dit going concern wordt binnen een beleidsdepartement? Doordat dit nu regulier beleid wordt gaan mensen vragen stellen zoals of het wel binnen de politieke keuzes valt en of er een maatschappelijk debat is gevoerd over de analyses, of we dit wel  moeten willen doen? De Toeslagenaffaire heeft nogal wat koudwatervrees opgeleverd.”

Noordhoek pleit ervoor dat de regie op het dashboard niet geheel door het Rijk moet worden overgenomen. “We willen de belangrijkste thema’s binnen het Brede Offensief tegen Ondermijning (BOTOC) onderzoeken, maar we doen dit om het lokale bestuur weerbaarder te maken, dan moeten we niet voor haar bedenken wat de beste informatie is. Laat gemeenten dat zelf bepalen.”

‘Blijf elkaar ontmoeten in de City Deal’

Dit gaat over de City Deal City Deal Kennis Maken
Huib de Jong van Regieorgaan SIA.
Huib de Jong van Regieorgaan SIA.

De City Deal Kennis Maken is sinds 2017 ondergebracht bij het Regieorgaan SIA, de organisatie die samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en publieke instellingen wil bevorderen. Tijd om eens samen met voorzitter van het bestuur Huib de Jong te kijken naar hoe het gaat met de City Deal.’Voor het netwerk is het heel belangrijk dat de ontmoetingen blijven doorgaan.’

De City Deal is nu vijf jaar bezig. Wat valt je op als je kijkt naar de verbinding tussen stad en hoger onderwijs?

De Jong: “De City Deal vind ik passen in een veel breder klimaat rond kennisinstellingen. Het inzicht dat innovatie gekoppeld is aan kennisontwikkeling stamt al uit de jaren ’90 in de vorige eeuw. Sindsdien wordt er steeds meer een beroep gedaan op de kennisinstellingen om ook een zichtbare maatschappelijke bijdrage te leveren. Bij dat klimaat hoort ook de City Deal. De focus van de City Deal ligt dan dan vooral op de grootstedelijke vraagstukken. De steden zijn toch concentratiegebieden van economische ontwikkeling, maar ook van sociale uitdagingen. Ze zijn op zoek naar inzetbare kennis om die uitdagingen en mogelijkheden aan te gaan. Ik vind het leuk om te zien dat het in eerste instantie heel sterk gekoppeld was aan universiteiten en hogescholen, maar dat we in de verschillende projecten en programma’s nu ook steeds meer het mbo gekoppeld aansluit. Dat vind ik wel een heel mooie ontwikkeling.”

Wat je steeds meer ziet is dat kennisinstellingen de verplichting hebben om een impact te leveren. Wat houdt dat volgens jou precies in?

“Bij de universiteit, maar het geldt voor alle kennisinstellingen, is de focus heel sterk gericht op het doen van onderzoek en het leveren van onderwijs als een soort min of meer op zichzelf staande activiteit. Dan zie je dat de maatschappij toch vragen stelt. Waarom doe je het? Wat hebben wij eraan? Welke bijdrage lever je aan de publieke sector, of aan het bedrijfsleven om te kunnen innoveren? Wat is de aansluiting bij de arbeidsmarkt? Die impact is vooral lokaal zichtbaar. Ik weet zelf vanuit de kennisinstellingen hoezeer dit speelt en de komst van de City Deal sloot dan ook heel erg aan op wat er al aan ontwikkeling was. Ze bood de mogelijkheid, in samenwerking met de gemeente en met lokale en regionale bedrijven en instellingen, om daar handen en voeten aan te geven.”

Waarom past de City Deal zo goed bij het Regieorgaan?

“Het sluit qua aanpak heel goed aan bij de faserende aanpak die we binnen Regieorgaan SIA hebben. Enerzijds start je met de vraag van hoe enthousiasmeer je. Dat gaat, vaak op basis van individuele projecten. Dan kom je langzamerhand in het stadium waarbij die individuele projecten probeert op te schalen. Dan gaat het over structureren en het ook lange termijn onderdeel laten zijn van het normale pakket van de samenwerking.”

Zijn er bepaalde projecten of steden in de City Deal die je de afgelopen zijn opgevallen?

“Er zijn natuurlijk allemaal mooie individuele projecten. Een voorbeeld vind ik het Urban Living Lab in Breda, waarbij onderwijs met reële problemen in de stad aan de slag gaat, en waarin de studenten van al die verschillende instellingen ook in staat zijn om met hun creativiteit een bijdrage te leveren. Dan zie je heel mooi dat het enerzijds  gaat over die impact genereren, maar dat heeft direct ook een relatie met vragen over burgerschap. Hoe ga je die studenten ook daadwerkelijk onderdeel laten zijn van die stad? Hetzelfde zie je bijvoorbeeld ook bij de projecten in Twente. Hier willen ze dat iedere student actief is geweest in de stad. Dat geldt voor de ROC van Twente, voor Saxion en voor de Universiteit Twente. Ik vind dat heel mooi om te zien.”

Wat levert het de samenleving op?

“Je zult altijd zien dat het ene wel lukt, en het andere niet. Het mooie van de City Deal, is dat dat ook kan. Je kunt ook experimenteren. De graadmeter voor deze vraag wat die meerwaarde is, is de reactie die uit de samenleving komt. Je ziet dat de belangstelling is voor die samenwerking, ook vanuit maatschappelijke organisaties en bedrijven. Kijk naar de mooie onderteken momenten die plaatsvinden. Er is dan ook enorme behoefte om met die kennisinstellingen, met die studenten, samen te werken. Soms gaat het om het oplossen van hele concrete problemen. Maar ik zie ook bedrijven die, gezien de arbeidsmarkt, ook heel graag met die studenten kennis willen maken, omdat zij ook de toekomstige werknemers kunnen zijn.”

Wat zie je vanuit het perspectief van de hogescholen allemaal gebeuren? Hoe past dat bij de grotere strategie waar SIA aan werkt?

“De hogescholen hebben traditioneel al een heel sterke relatie met de regio waarin ze werken, en dat is per definitie in het beroepsonderwijs. Wat er nu gebeurt met de City Deal is het meer structureren, en vaste afspraken maken. De partners gaan meer duurzame contracten met elkaar aan. Die structurering, vaak ook onder regie van de gemeente, is een heel belangrijke stap die we op dit ogenblik aan het aan het maken zijn, en dat past ook heel goed bij waar Regieorgaan SIA op dit moment mee bezig is. We zijn nu zo’n twintig jaar bezig met onderzoek in de hogescholen. Dat is onderzoek samen met partners in de regio, maar ook heel sterk gekoppeld aan het onderwijs. Dus daar zie je ook al de parallel met wat er in de City Deal gebeurt. Ook wij zitten nu ook in de fase van verduurzaming van de samenwerking. Daarbij kijken we ook wordt naar de vraag hoe de hogescholen met bedrijfsleven en publieke sector een lange termijn visie gaat ontwikkelen dat een onderdeel wordt van een bredere strategie, niet alleen van de hogescholen, maar ook van de partners in die regio.”

Jullie zijn als Regieorgaan SIA dus hier eigenlijk al twintig jaar mee bezig. Het was ook niet meer dan logisch dat de City Deal bij jullie onder de paraplu kwam?

“Ja. Alle programma’s, die het Regieorgaan SIA draait op dit moment, hebben als heel belangrijk criterium ook om middelen ter beschikking te stellen voor zichtbare maatschappelijke impact. Om die reden zie je ook dat de projecten van Regieorgaan SIA vaak van relatief korte duur zijn. Waar promotietrajecten bij de universiteiten vier of vijf jaar duren zijn de projecten van Regieorgaan SIA zijn wat kort cyclischer. Die hebben dus vaak maximaal twee jaar als perspectief, met name ook om in die samenwerking met instellingen en bedrijven die directe relatie met problemen en vragen daar zichtbaar te maken. We werken ook altijd vraaggericht. Dus het belang van de partners moet volstrekt zichtbaar zijn in de projecten. Volgens mij zijn dat allemaal kenmerken die bij de City Deal terug komen. In die zin vind ik het logisch dat het bij ons belegd is.

Laten we even kijken naar de toekomst. Wat zou je de City Deal partners, de steden en de instellingen aan of willen adviseren voor de komende jaren, met oog op opschaling en  intern inbedden in het onderwijs?

“Ik zou de verschillende partners in de stad toewensen dat binnen de kennisinstellingen die maatschappelijke impact echt ook heel expliciet een onderdeel is en wordt van de strategie. Vervolgens wens ik ook de steden toe dat ze lange termijn visies neerleggen waarin ze garanties kunnen geven voor de langere termijn samenwerking en de ondersteuning. Datzelfde geldt ook voor de partners in de stad. Alleen zo kun je echt netwerken en samenwerkingsverbanden opzetten. Daarbij maak je dan met elkaar meer lange termijn afspraken over de samenwerking en wat we over en weer van elkaar kunnen verwachten. Het gaat niet per definitie om geld, maar over de vraag van hoe je menskracht met elkaar kunt delen en zichtbaar aanwezig zijn in elkaars organisaties. Dan krijg je echte verduurzaming. Het begint altijd met de projecten, waarin mensen  ervaren dat het meerwaarde heeft. Als je daarvan wat meer langere termijn afspraken kunt maken, zou dat volgens mij een enorme opbrengst zijn voor de stad.”

Wat bedoel je precies met garanties van ondersteuning? Zou dat bijvoorbeeld betekenen dat er binnen de gemeente een vaste aanspreekpunt is voor begeleiding van die studenten en onderzoekers?

“Dat is één element ervan. Het begint bij politiek commitment.  Nu zijn in de steden de collegeprogramma’s weer zo’n beetje afgerond. Die zijn per definitie heel divers. Soms zie je wel en soms zie je niet in die college programma’s de relatie met die kennisinstellingen word benoemd. Het zou eigenlijk meer structureel moeten zijn, en meer vanzelfsprekend moeten zijn dat de relatie met onderwijs ook een onderdeel is van de collegeafspraken. En dat voor de kennisinstellingen en de partners in de stad die gemeente dan voorspelbaar wordt in haar commitment naar die samenwerking.”

Denk je dat de City Deal nog steeds groeit? We hebben behoorlijke stappen gemaakt sinds 2017?

“Ja. Je ziet nog steeds dat er steden aansluiten. We zitten nu op 20 steden, Eindhoven was de laatste die aansloot. Ik denk dat die groei wel doorgaat. Je ziet overigens ook steeds meer instellingen die lokale en regionale samenwerking onderdeel maken van hun strategie en daar ook projecten op definiëren. Dat wordt steeds breder. Daarom is, denk ik, die opschaling ook belangrijk. Ik kijk van begin af aan mee, ik vind het echt fantastisch en ben een fan van wat Rowinda Appelman allemaal doet, samen met haar mensen.  De kennisdeling, steeds meer mensen bij elkaar brengen en van daaruit ook nadenken over de vraag: wat kunnen we van elkaar leren? Dat moet doorzetten in de komende periode. Dat zie je bij het inzetten op die opschaling dat er ook masterclasses en bijeenkomsten te worden georganiseerd om dat  leren van elkaar ook tot een structuur te maken. Dat vind ik echt heel erg belangrijk.”

Wil je verder nog iets meegeven aan het City Deal Netwerk?

“Ik denk dat voor het netwerk het heel belangrijk is, dat, vanuit de verschillende verantwoordelijkheden, die ontmoetingen blijven doorgaan. Op de landelijke Kennisdelingsdag komen alle partijen bij elkaar. Van het politieke niveau, de leiding van de instellingen en bedrijven, tot ook de mensen die dag-in dag-uit bezig zijn om hier te proberen handen en voeten aan te geven. Ik denk dat dit soort oploopjes heel belangrijk is, maar ook dat de ontmoetingen van die verschillende geledingen vanuit die verschillende verantwoordelijkheden in de komende periode echt moeten worden doorgezet. Zodat je op die verschillende niveaus en vanuit die verschillende verantwoordelijkheden leert van elkaar en ziet je hoe het enthousiasme er in kan houden.”